Afgelopen week was het weer eens carnaval. En ik zal het maar meteen toegeven: carnaval is niet aan mij besteed. Ik houd niet van bier of van lawaai of van verkleedpartijen of van dronken mensenmassa’s. Het is niet mijn ding.

Toch vind ik carnaval fantastisch, maar dan omdat er zo’n mooi taalverhaal aan vastzit. Want wat is carnaval nou eigenlijk? Om dat te snappen, moet je eerst weten wat Pasen is. In de christelijke liturgische kalender is Pasen de dag waarop gevierd wordt dat Jezus herrees uit de dood, drie dagen na zijn kruisiging.
Om deze belangrijke dag te laten voorafgaan door een periode van bezinning, is de vastentijd in het leven geroepen. Dat zijn veertig dagen waarop men geacht wordt te “vasten” — het zijn er eigenlijk zesenveertig, maar je wilt natuurlijk toch uitkomen op dat mooie religieus-magische getal van veertig dagen, dus de zondagen tellen voor het gemak even niet mee. Wat dat vasten precies inhoudt verschilt per persoon of parochie, maar het komt er in ieder geval op neer dat je matiging in acht neemt en je niet overgeeft aan overdadige wereldse geneugten.
De vastentijd begint op Aswoensdag. En omdat de menselijke natuur zich nou eenmaal niet laat onderdrukken, is heel praktisch besloten om de dagen vóór Aswoensdag geen enkele matiging in acht te nemen, zodat iedereen zich een aantal dagen lang geheel kan overgeven aan overdadige wereldse geneugten. En die dagen, dat is carnaval.
Het is niet zeker waar het woord carnaval vandaan komt, maar het heeft hoe dan ook iets met vlees te maken. Of beter gezegd: met geen vlees, want tijdens de vastentijd mocht men geen vlees eten. (Je wist trouwens al dat de carn- in carnaval met vlees te maken heeft, want die ken je ook van “chili con carne”, dat in het Spaans (chile con carne) betekent: chilipepers met vlees.)
Een mogelijke etymologie loopt via het Italiaanse carnevale, dat ontstaan zou zijn uit oudere regionale woorden als carnelevare: carne + levare is “het vlees optillen, verwijderen”. Een andere, meer folkloristische verklaring gaat terug op het Latijnse carne vale: “vaarwel, vlees”. Hoe dan ook, carnaval betekent dus: geen biefstuk.
Als ik me heel erg vergis en er toch zoiets is als een wedergeboorte, dan kom ik misschien in een volgend leven wel terug als een heus, onvervalst, bierdrinkend, lawaaiminnend, verkleedgraag polonaisebeest. Maar dan moet ik wel eerst even opnieuw-vlees-worden (“reïncarneren”) en niet vergeten wat carnaval ook alweer was… Alaaf!