Ik was net met mijn kinderen naar de bioscoop geweest, en we baanden ons gedrieën een weg door de kou heen, terug naar de auto. Druk pratende over hoe leuk de film was, passeerden we een dakloze die bij de ingang van een parkeergarage stond te bedelen.

Hoe cru het ook klinkt, voor mijn volwassen ogen hoorde deze vrouw – de zoveelste bedelaar – min of meer bij het straatbeeld. Maar mijn jongste (9) dacht daar anders over. Hij hield me tegen en zei, “Papa, moeten we die mevrouw niet iets geven?”
Onmiddellijk wist ik: mijn zoon is een betere mohammedaan dan ik. Het doet er niet toe of je, zoals ik, humanist bent, een andere levensovertuiging of geloof aanhangt, of een moslim bent wiens geloof hem opdraagt altijd iets aan een behoeftige te geven. Mijn kind had gelijk. Ik had die vrouw iets moeten geven.
Ik antwoordde naar waarheid dat ik geen muntgeld bij me had. Mijn zoon zei, “Maar ik wel” en liep terug en gaf de vrouw zijn muntje van twee euro. Ze keek hem even aan en ik hoorde haar zeggen, “God bless you.” Brok in mij keel.
Later heb ik nagezocht hoe het ook alweer zat. Een van de vijf pijlers van de islam is de zakat, de verplichting om een vast deel van je inkomsten te schenken aan de armen. Een verwant begrip is de sadaqah, die de moslim oproept om ook vrijwillig aan liefdadigheid te doen – uit mededogen, liefde of vriendschap.
In het Jodendom is er een soortgelijk idee, de tzedaka. (Zie je de gelijkenis in de naam?) Ook dat is een door god voorgeschreven religieuze plicht; het is een gebod (mitswa) voor elke jood. En hoewel het christendom minder expliciet is in zijn voorschriften, wordt het geven van aalmoezen ook daar aangemoedigd.
Kleine terzijde: deze religieuze versies van liefdadigheid zijn ietwat ambivalent. Met je aalmoezen verzacht je namelijk de toorn van god en koop je (deels) je eigen zonden af. En daarmee dien je dus toch weer je eigenbelang. Hm.
Maar als we dat even laten voor wat het is, kom je alsnog uit op een universeel principe. In een beschaafde samenleving hebben degenen die het goed hebben een morele plicht om iets bij te dragen aan het welzijn van diegenen die het minder hebben. Dat is een keuze die je maakt – als mens, als maatschappij, als cultuur. Je spreekt met elkaar af: wij zijn geen barbaren.
Dat is een ethische stellingname. En misschien is dat wel de belangrijkste soort taal die er is. Van heel groot (codificering in heilige boeken) tot heel klein (die paar woorden die de bedelvrouw tegen mijn zoon sprak). Het zijn de woorden die weerspiegelen wat het betekent om een rechtschapen mens te zijn. Voortaan houd ik altijd wat kleingeld op zak.