Je zit thuis een film te kijken en denkt ineens: ik heb trek in een snack. Op naar de keuken, waar een inspectie van de koel- en andere kastjes niets oplevert. Zucht. Terug naar de bank. Tien minuten later denk je koppig: maar ik wil iets lekkers! Dus weer naar de keuken, en alle deurtjes opnieuw openmaken om te zien of daarachter spontaan een zak chips of een bak chocolade-ijs gematerialiseerd is. Herkenbaar?
Ik moest aan zo’n scenario denken toen ik las over een recent onderzoek in de Journal of Personality and Social Psychology. Daarin stellen Ethan Kross en collega’s vast dat mensen die gestrest zijn of ergens over piekeren er baat bij hebben om zichzelf in gedachten in de tweede of derde persoon aan te spreken, in plaats van in de ik-vorm.

Een voorbeeld. Piet heeft morgen een sollicitatiegesprek en is daar best nerveus voor. Hij zegt tegen zichzelf: “Ik kan het. Ik heb me goed voorbereid, en ik ben gewoon heel geschikt. Die baan is echt iets voor mij!” Vergelijk dat met Jan, die morgen voor diezelfde functie een gesprek heeft. Ook Jan is zenuwachtig en praat op zichzelf in: “Je kunt het. Je hebt je goed voorbereid, en je bent gewoon heel geschikt. Die baan is echt iets voor jou!” Voel je het verschil? Volgens Kross heeft Jan meer baat bij zijn zelf-peptalk dan Piet, omdat Jan een soort innerlijke coach of vriend oproept.
Het is maar een kleine talige aanpassing – van ik naar jij. Maar die kleine overstap ontsluit een groot en relevant verschil: het onderscheid tussen de ik en de ander.














