De taalterm van deze week, strofe, heeft zijn zaakjes goed voor elkaar. Hij beheert zijn eigen volkstuintje, netjes in de rij met de andere tuinen. Maar hij zet er wel een net hekje omheen – want je moet goed kunnen zien waar de tuin van de buren eindigt en die van hem begint.
Definitie
Een strofe is een set van twee of meer dichtregels die inhoudelijk een eenheid vormen, afgebakend met witregels.
In een gedicht heeft een strofe min of meer dezelfde rol als een alinea in een tekst, of een couplet in een liedtekst.
Als de strofe wat langer is, meestal vijf regels of meer, kun je ook de term stanza tegenkomen.
Afhankelijk van de dichtvorm kunnen er speciale regels gelden voor het metrum of de rijm in een strofe. Zo hebben de twee openingsstrofen van een Shakespeariaans sonnet elk vier regels met het rijmschema ABAB CDCD.
Voorbeelden
Het gedicht hieronder is van Hans Andreus (1926−1977). Het heeft geen officiële titel, dus de benaming “Je bent zo” is een incipit.
Je bent zo Je bent zo mooi anders dan ik, natuurlijk niet meer of minder maar zo mooi anders, ik zou je nooit anders dan anders willen
Zie je dat het hele gedicht uit drie strofen bestaat? De eerste heeft vier regels, de tweede vijf, en de laatste weer vier.
Etymologie
Wij hebben deze taalterm in het midden van de 19e eeuw geleend van het Franse strophe, wat op zijn beurt weer ontleend is aan het Grieks:
- strophe (wending of draai), van strephein (draaien, wenden)
Weetje
Je zag al dat een strofe zo klein kan zijn als twee versregels. Zo’n strofe noem je een distichon. Voor strofen tot en met negen dichtregels zijn er aparte benamingen:
- 2 regels – distichon
- 3 regels – terzine of (in een sonnet) terzet
- 4 regels – kwatrijn
- 5 regels – kwintijn of kwintet
- 6 regels – sextet
- 7 regels – septet
- 8 regels – octaaf
- 9 regels – novet