Digitale stofwisseling

Het is alweer een tijd­je gele­den dat ik in deze pod­cast een fascinerend gesprek hoorde over het inter­net. Ik ben geen tech­neut en ik kan het niet alle­maal navertellen, maar het ging over de aard van infor­ma­tienetwerken en hoe robu­ust die wel of niet zijn, en waarom.

Een van de sprek­ers floepte er in dat gesprek ter­loops een zin­net­je uit dat ik meteen heb opgeschreven en dat sinds­di­en op een Post-It aan mijn mon­i­tor hangt, als herin­ner­ing om er nog even op door te filosofer­en.

The Inter­net has no metab­o­lism because there is no fric­tion in the sys­tem.

Het hele idee dat een dig­i­taal sys­teem een metab­o­lisme zou kun­nen hebben was nog nooit in me opgekomen, dus dit zette me meteen aan het denken. Over de ver­takkin­gen van deze notie in IT-ter­men laat ik me niet uit, daar ben ik veel te veel alfa voor. Maar toch riep deze stelling aller­lei vra­gen op. Wat is een metab­o­lisme eigen­lijk? Heb je daar inder­daad fric­tie voor nodig? Wat betekent de afwezigheid van fric­tie voor zo’n sys­teem?

Frankenstein
"It's alive! It's alive!"

Een duik in Wikipedia leerde me dat een metab­o­lisme een serie chemis­che reac­ties is in een organ­isme, waarmee het lev­en van dat organ­isme in stand gehouden wordt. Maar hoe dan? Het Ned­er­landse syn­on­iem stofwis­sel­ing geeft dat heel beeldend weer: er wordt iets met stof­fen gewis­seld.

Lees verder Dig­i­tale stofwis­sel­ing

Een eeuwtje meer of minder

Waar zouden we toch zijn zon­der gezond ver­stand? Taal vereist een zekere mate van cod­i­fi­ceren, maar wordt gedra­gen door een netwerk van aan­names.

En dat is maar goed ook. Want als iedereen alti­jd alles tot in detail zouden moeten uit­leggen en bewi­jzen, zou de machine van de menselijke beschav­ing onmid­del­lijk stroef vast­lopen en onbruik­baar wor­den. Bij bij­na alles wat we doen gaan we ervan uit dat iets zus of zo is. En nog­maals, dat is maar goed ook.

Ik kom hier zo op terug. Eerst moet ik even een uit­stap­je mak­en naar de krant. Mijn dag­blad bestookt me al een tijd­je met adver­ten­ties voor een tv-serie, The Hour. Deze reclame poogt me ertoe te ver­lei­den de dvd-box te kopen door me te vertellen dat de serie uit zijn voe­gen barst van de “voel­bare sek­suele span­ning” – een pleonasme, want onvoel­bare sek­suele span­ning is geen sek­suele span­ning. Verder wordt er nog gerept over de “dodelijke samen­zw­er­ing” en de “intense ambities” die deze “heer­lijk sti­jlvolle dra­maserie” zo leuk mak­en.

Maar dat alles gaat aan me voor­bij, want ik haak al af bij de omschri­jv­ing van de his­torische con­text van het ver­haal. Deze serie is namelijk “gesitueerd in het Lon­den van de jaren ’50 van de vorige eeuw”. Vergeet even dat dat gesitueerd een beet­je chic-doener­ig klinkt. Vergeet ook dat er hele­maal geen apos­trof hoort voor het getal in de jaren 50. Nee, het is die “vorige eeuw” die mij dwarsz­it.

Lees verder Een eeuwt­je meer of min­der

Aalmoes

Ik was net met mijn kinderen naar de bioscoop geweest, en we baan­den ons gedrieën een weg door de kou heen, terug naar de auto. Druk pra­tende over hoe leuk de film was, passeer­den we een dak­loze die bij de ingang van een par­keer­garage stond te bede­len.

Pablo Picas­so: "De oude bede­laar"

Hoe cru het ook klinkt, voor mijn vol­wassen ogen hoorde deze vrouw – de zoveel­ste bede­laar – min of meer bij het straat­beeld. Maar mijn jong­ste (9) dacht daar anders over. Hij hield me tegen en zei, “Papa, moeten we die mevrouw niet iets geven?”

Onmid­del­lijk wist ik: mijn zoon is een betere mohammedaan dan ik. Het doet er niet toe of je, zoals ik, human­ist bent, een andere lev­ensover­tuig­ing of geloof aan­hangt, of een moslim bent wiens geloof hem opdraagt alti­jd iets aan een behoeftige te geven. Mijn kind had gelijk. Ik had die vrouw iets moeten geven.

Ik antwo­ordde naar waarheid dat ik geen munt­geld bij me had. Mijn zoon zei, “Maar ik wel” en liep terug en gaf de vrouw zijn munt­je van twee euro. Ze keek hem even aan en ik hoorde haar zeggen, “God bless you.” Brok in mij keel.

Lees verder Aal­moes

Valentijn en Casanova

Het is van­daag Valen­ti­jns­dag. Een fijne, door en door seculiere feestdag waarop gelief­den, beminden, ver­lief­den en ander­szins door Cupi­do bevan­gen mensen hun (heimelijke) liefde kun­nen betu­igen. Van­daag zijn rode rozen dan ook twee keer zo duur als op 13 of 15 feb­ru­ari.

Valen­ti­jnsstress

Maar hoe aards en com­mer­cieel het hele Valen­ti­jn­scir­cus ook is gewor­den, het bli­jft van oor­sprong toch Sint-Valen­ti­jns­dag, een chris­telijke heili­gendag. De vraag naar welke heilige deze dag dan ver­noemd is, is lastiger te beant­wo­or­den dan je zou denken. Er was niet één Sint-Valen­ti­jn, het waren er meer dan tien!

Lees verder Valen­ti­jn en Casano­va

Heterowattes?

In de vorige Taalei­doscoop zag je de beladen ter­men geno­cide en allochtoon langskomen. Je hebt nog van me tegoed het ver­haal van waar deze woor­den van­daan komen.

Om met het eerste te begin­nen: geno­cide is zoals zoveel woor­den een nieuwe com­bi­natie van een paar ter­men uit de klassieke oud­heid. In dit geval zijn dat het Griekse woord genos (ras, ges­lacht) en het Lati­jnse achter­voegsel -cide (doder), dat op zijn beurt weer afgeleid is van het werk­wo­ord caedere, dat doden betekent. Datzelfde suf­fix vind je ook in woor­den als pes­ti­cide (plaag+doder) en suï­cide (zelf+doding).

De geboorte van geno­cide is heel pre­cies vast te stellen: het was in 1943. De vad­er van het woord is ook bek­end, dat was de Pools-Joodse jurist Raphael Lemkin (1900-1959). Hij zocht een term die de sys­tem­a­tis­che moord op bepaalde etnis­che groepen zou kun­nen beschri­jven. De Holo­caust was toen in volle gang, maar het his­torische voor­beeld dat hem in eerste instantie op het idee bracht, was de Armeense geno­cide van vlak na de Eerste Werel­door­log. Dezelfde volk­eren­mo­ord, dus, die nu juist aan­lei­d­ing is voor het gesteggel over het woord geno­cide. Je zou het his­torische ironie kun­nen noe­men.

Lees verder Het­erowattes?

Absurdistisch toneelstuk

In de afgelopen week waren er twee woor­den in het nieuws die een poli­tieke dis­cussie aan­wakker­den en die alle­bei met etnis­che afkomt te mak­en hebben. Die woor­den waren geno­cide en allochtoon.

Om met de laat­ste te begin­nen: in 2008 stelde min­is­ter van Justi­tie Ernst Hirsch Ballin al voor om de term allochtoon te schrap­pen omdat het “een valse tegen­stelling” zou schep­pen. En nu doet min­is­ter voor Inte­gratie Gerd Leers een duit in het­zelfde zak­je, omdat het woord “den­i­gr­erend” zou zijn. Hun tegen­str­ev­er is de PVV, die de defin­i­tie van wat en wie “allochtoon” is juist wil ver­bre­den, zodat méér mensen “allochtoon” wor­den.

En dan die andere, nog meer beladen term. Geno­cide. Meer spec­i­fiek: de Armeense geno­cide. Daar doet zich inter­na­tion­aal een rare spa­gaat voor. In Turk­i­je is het ver­bo­den om die his­torische gebeurtenis­sen een geno­cide te noe­men, en sinds vorige week is het in Frankrijk ver­bo­den om te ontken­nen dat het een geno­cide was. Die twee stelling­na­men zijn per defin­i­tie onv­erenig­baar.

Wat betekent een woord...?

Nou gaat de Taalei­doscoop er niet over wie wel of niet een allochtoon is, of wat wel of niet een geno­cide is. Maar in bei­de gevallen is er iets inter­es­sants aan de hand: de hele dis­cussie gaat maar in beperk­te mate over de maatschap­pelijke of his­torische werke­lijkheid. De vraag is niet of er mensen zijn die geen inboor­ling van de Ned­er­lan­den zijn; de vraag is niet of er mas­saal Armeniërs gedood zijn. Nee, de vraag is hoe we die din­gen noe­men. Welk woord­je plak je erop?

Daarmee wordt het taal­spel ver­heven tot een poli­tieke stri­jd, en zelfs tot een filosofisch prob­leem: hoe ver­houdt de beteke­nis van onze woor­den zich tot de realiteit van ons bestaan?

Lees verder Absur­dis­tisch toneel­stuk