TVDW: Naamwoord

De taal­term van deze week, naam­wo­ord, lijkt een beet­je op lucht. Hij is zó gewoon en alomte­gen­wo­ordig dat hij bij­na niet meer opvalt. Maar het zoals het zon­der lucht nogal moeil­ijk wordt om te ade­men, kan een taal niet zon­der naam­wo­or­den.

Definitie

Een naam­wo­ord is een woord waarmee je een zaak of per­soon aan­duidt of beschri­jft.

De meest voorkomende soorten naam­wo­or­den zijn het zelf­s­tandig naam­wo­ord (zoals huis, vrouw en bus) en het bijvoeglijk naam­wo­ord (zoals groot, slim en rood).

Daar­naast wor­den ook eigen­na­men (zoals Fabi­o­la en Sander) en toponiemen (zoals Deven­ter en Zim­bab­we) als naam­wo­or­den gezien.

Voorbeelden

  • Het oude paard stond voor de ver­lat­en boerder­ij.
  • Albert Ein­stein is in 1879 geboren in Ulm.

Etymologie

Deze taal­term heeft een wat saaie, voor de hand liggende ety­molo­gie:

  • naam (term waarmee je iets benoemt) + woord (een­heid van taal)

Weetje

De woord­soort zelf­s­tandig naam­wo­ord wordt ook wel nomen of sub­stantief genoemd. En de woord­soort bijvoeglijk naam­wo­ord wordt ook wel adjec­tief genoemd.

Dat klinkt alle­maal een beet­je tech­nisch, natu­urlijk. Maar echt vreemd is het niet, als je bedenkt dat nomen gewoon “naam” betekent; een sub­stantie iets stof­fe­lijks aangeeft (iets wat “fysiek in de wereld is”); en ad-jec­tief let­ter­lijk “bij-wer­p­ing” betekent.

Dan zie je ook meteen dat een zelf­s­tandig naam­wo­ord op zichzelf kan staan, en dat een bijvoeglijk naam­wo­ord bij een ander naam­wo­ord gevoegd wordt.

Ga maar na: je kunt wel zeggen “Dat is een auto” (zelf­s­tandig naam­wo­ord), maar niet “Dat is een geweldige” (bijvoeglijk naam­wo­ord) – in dat laat­ste geval mis je nog wat infor­matie. Je weet niet waar het woord geweldige “bij gevoegd” wordt, omdat je geen zelf­s­tandig naam­wo­ord hebt.

Wat vind jij?