Met een boog om de pijl heen

Taal is een won­der­lijk ding. Gespro­ken taal is in wezen niets anders dan een in kleine priegelk­lankjes gecod­i­ficeerde weer­gave van het lev­en, van de wereld om ons heen. En geschreven taal, dat ver­geten we nog wel eens, is op zijn beurt niets anders dan een in kleine priegelvorm­p­jes gecod­i­ficeerde weer­gave van gespro­ken taal.

De eerste roman?
De eerste roman?

Die eerste cod­i­fi­catie – van ervar­ing naar woor­den – kan alleen werken bij de gratie van rel­e­vantie. Bijvoor­beeld: in de veer­tiende eeuw bestond in geen enkele Europese taal een woord voor tabak, sim­pel­weg omdat de tabak­s­plant nog onont­dekt (door Euro­pea­nen) groei­de op een heel ander con­ti­nent. Het heeft geen zin om een woord te hebben voor choco­la als er geen choco­la is in je belev­ing van de wereld (de cacao­boon, immers, groei­de ook al op dat andere onbereis­de wereld­deel).

De rel­e­vantie van de tweede cod­i­fi­catie – van gespro­ken woord naar schrift – werkt anders, die kri­jg je min of meer cadeau: je gaat per slot van reken­ing pas een schri­jfwi­jze voor een woord verzin­nen als dat woord al bestaat.

Lees verder Met een boog om de pijl heen

Kleurtje

Soms word je door de raarste din­gen op een zoek­tocht ges­tu­urd. Zo vroeg ik een tijd­je gele­den aan een col­le­ga, toen ik ver van mijn bureau snel iets op wilde schri­jven, “Kan je me even een van die blauwe geelt­jes geven?” Een blauw geelt­je! Als dat geen con­tra­dic­tio in ter­min­is is, weet ik het ook niet meer. Maar toch, neen, “een blauw geelt­je” is géén oxy­moron. Een geelt­je hoeft ken­nelijk niet geel te zijn.

Quod erat demonstrandum
Quod erat demon­stran­dum

Het zette me aan het denken: zijn er meer van dat soort woor­den, van het type kleur + -tje? Jawel, natu­urlijk, en hoe. De betekenis­sen die ik hier ver­meld zijn een deel van (!) de betekenis­sen die in Van Dale genoemd wor­den.

Laat ik begin­nen met die kleuren waar­van ook wel beweerd wordt dat ze niet echt “kleuren” zijn: zwart en wit. En gri­js. Een zwart­je is een weinig flat­teuze benam­ing voor een neger en ook nog, ken­nelijk, een meis­je met donker haar. Een wit­je is meer dan één soort vlin­der, en verder een bor­relt­je en een soort vis. (Heb jij ooit in de kroeg een “wit­je” besteld? Ik niet. En dan nog vraag ik me af of iemand daar niet eerder een witbier mee zou bedoe­len.) Een gri­js­je, ten slotte, is een oud­je, een opaat­je of omaat­je.

Lees verder Kleurt­je

Ta-tuu ta-tuu

Bij het woord sirene denkt bij­na iedereen eerst aan een langsrazende ambu­lance, poli­tieau­to of brandweer­wa­gen. Maar de ety­molo­gie van het woord is te mooi om aan voor­bij te gaan, en voert terug op de Griekse mytholo­gie.

Sire­nen, om de cliffhang­er uit het vorige taalver­haal maar eens op te pakken, zijn geen zeemeer­min­nen. Enige uit­leg is hier op zijn plaats.

Sirene
Sirene

Een zeemeer­min, zo is je waarschi­jn­lijk geleerd, heeft het boven­lichaam van een mens en het onder­lichaam van een vis. Zo staan ze ook te boek, maar klopt dat wel? In afbeeldin­gen is de staart van een zeemeer­min vaak plat, hor­i­zon­taal. En vis­sen hebben een ver­ti­cale, rech­top­staande staart. Het zijn juist de zee­zoogdieren, zoals walvis­sen, dolfi­j­nen en orka’s, die plat­te staarten hebben. Als je de icono­grafie mag geloven, zijn zeemeer­min­nen dus half mens, half zee­zoogdi­er. Maar ze hebben vaak wel weer schubben, en zoogdieren hebben geen schubben; vis­sen wel. Een onduidelijk geval­let­je.

Zeemeer­min­nen zon­gen vaak bekoor­lijk naar voor­bi­j­varende zeel­ieden, die dan schip­breuk leden of over­bo­ord spron­gen, een gewisse dood tege­moet gaand. Hun collega’s de sire­nen had­den daar ook een hand­je van, maar daarmee houdt de gelijke­nis dan ook op.

Lees verder Ta-tuu ta-tuu

Less is more

Er wordt wel eens gezegd dat de groot­ste weten­schap­pelijke ont­dekkin­gen niet begeleid wor­den, zoals het cliché wil, door een luid “Eure­ka!”, maar juist door een een­voudig “Hé, dat is raar…”

Hoe het ook zij, ook min­der belang­wekkende open­barin­gen wor­den vaak voorafge­gaan door – als de wereld een stripver­haal was – een tek­st­bal­lon­net­je met alleen een vraagteken erin. Ik had er een boven mijn hoofd hangen toen ik een paar dagen gele­den naar het woord zeemeer­min keek.

Misschien wel de bekendse meermin
Miss­chien wel de bek­endse meer­min

Zeemeer­min. Zee-meer-min. Zee-meer-min. Meer. Dat meer, dat bracht mij, min of meer, van mijn stuk. Daar zit, zogezegd, meer achter, dacht ik. Want ik dacht ook meteen aan het Engelse woord mer­maid. Niet “sea-mer­maid” of zoi­ets, maar gewoon mer­maid. Mer-maid. Mer-maid. Mer, meer. Zoals in het Franse la mer, de zee. Of zoals in het Duitse das Meer, de zee. En die min, zo rede­neerde ik, dat is gewoon een vrouw, zoals in het Engelse maid meid betekent, en het Ned­er­landse min zoogvrouw.

Het vraagteken werd een uitroepteken.

Lees verder Less is more

Doeg

Ik kan me niet meer heugen wan­neer ik voor het laatst een brief zag die afges­loten werd met Hoogach­t­end… Nou kan dat natu­urlijk zijn omdat nie­mand mij nog hoogacht, maar ik denk toch dat er iets anders aan de hand is.

We zijn in de afgelopen decen­nia steeds informel­er met elka­ar gaan omgaan. Kled­ing­codes zijn ver­soe­peld – wie draagt er nog, zoals mijn groot­vad­er, ook in zijn vri­je tijd een driedelig pak? Aanspreekvor­men zijn geniv­elleerd – niet veel kinderen van de huidi­ge basiss­chool­gen­er­atie zeggen nog u tegen hun opa en oma, en niet veel van hun oud­ers zeggen nog u tegen hun baas. De MBB (“min­i­male beleefde begroet­ing”, een eigen verzin­sel van mij) is van al zijn cer­e­monieel ont­daan – iedereen kust en knuffelt elka­ar: van links tot oud, van hoog tot rechts, van jong tot laag. En de lange brieven en gesprekken van weleer zijn gro­ten­deels ver­van­gen door korte maar vaak niet eens zo krachtige e-mails, msn-chats, sms’jes, iCards en gsm-babbels.

Dat dus
Dat dus

Lees verder Doeg

Klerekleren

Stel je voor: je bent in Mia­mi, zoals ik twee weken gele­den. Je staat in een chique depart­ment store te ape­gapen naar alle modieuze kledij die daar te koop is. En dan, bij de dameskled­ing, moet je ineens aan wc-papi­er denken…

Het menselijk brein is een won­der­lijk ding. Want ik moest hele­maal niet zelf naar de restroom, en toi­let­pa­pi­er stond ook niet op mijn bood­schap­pen­li­jst­je. Nee, ik moest eraan denken dat ik ooit gelezen had over een Scan­di­navis­che pro­du­cent die op de Britse markt een nieuw merk wc-papi­er wilde lanceren. Daar is niks mis mee, natu­urlijk, maar als je dan kiest voor de pro­duct­naam “Krap” – tja, dan sla je de bips, par­don: plank toch wel mis.

Dat is zo ongeveer alsof IKEA, dat de won­der­lijk­ste pro­duct­na­men hanteert, in Ned­er­land een wc-bors­tel zou verkopen die “Strönt” heette. Zie dan je giechel­spieren maar in bed­wang te houden.

Lees verder Klerek­leren