Winterspelletjes

Mijn favori­ete Win­ter­spe­len­mo­ment kwam nadat Ned­er­land voor de derde keer het podi­um bezette met schaat­sers die goud, zil­ver én brons in de wacht sleepten. In de krant stond toen dat dit heel bij­zon­der was, want “Ned­er­land is het eerste land met drie clean sweeps op één Win­ter­spe­len”.

De derde clean sweep op... één Winterspelen?
De derde clean sweep op... één Win­ter­spe­len?

Maar wacht even. Eén Win­ter­spe­len? Dat is een raar taal­beestje: een woord dat over­duidelijk een meer­voudsvorm is en toch samen optrekt met het tel­wo­ord één. Je kunt niet op een zin­nige manier spreken over één bomen, één drop­jes of één plan­eten – dat is taalkundig onjuist en het voelt ook ron­duit onl­o­gisch. Hoe­zo dan toch die ene Win­ter­spe­len?

Olymp­is­che Spe­len is zo’n term die weliswaar meer­voudig is, maar toch gezien wordt als één geheel – net als verkiezin­gen bijvoor­beeld. Miss­chien voelt het daarom alsof je er één van kunt hebben. Maar in de relatie met andere woor­den zijn dat soort ter­men toch echt een meer­voud. Olymp­is­che Spe­len zijn een inter­na­tion­aal spek­takel; verkiezin­gen wor­den gehouden; de Win­ter­spe­len waren dit jaar in Sot­sji.

Je ziet het ook als je het woord Win­ter­spe­len op een andere manier gebruikt. Neem bijvoor­beeld de vol­gende zin: Er zijn vier Win­ter­spe­len in de Verenigde Stat­en gehouden. Het kan aan mij liggen, maar ik vind die zin (hoewel hij gram­mat­i­caal hele­maal klopt) een beet­je raar klinken. Ik zou eerder zeggen: De Win­ter­spe­len zijn vier keer in de Verenigde Stat­en gehouden. “Spe­len” voelt in deze con­text niet echt als een tel­baar woord.

Let op, de Spe­len zijn geen plu­rale tan­tum, een woord waar­voor geen enkelvoud bestaat. Je kunt aanstal­ten mak­en om zon­der kap­sones je herse­nen te gebruiken. Maar probeer maar eens één aanstalt te mak­en om zon­der een kap­sone één enkele hersen te activ­eren.

Het woord spel, daar­ente­gen, kent wel degelijk een enkelvoud en is tel­baar. Het heeft, afhanke­lijk van de beteke­nis, een van twee meer­voudsvor­men: spellen en spe­len. Denk aan gezelschapsspellen en kansspe­len. Dat spe­len voelt soms nog steeds als een tel­baar woord aan (een casi­no biedt 50 ver­schil­lende kansspe­len aan), en soms nadrukke­lijk niet (de vier Win­ter­spe­len in de VS).

We zien de Zomer-/Win­ter­spe­len als een col­lec­tief van ver­schil­lende sport­dis­ci­plines, die dan weer elk een afzon­der­lijk “spel” zijn – al noe­men we ze in deze con­text niet zo. Miss­chien is het daarom onwen­nig om over “één Win­ter­spe­len” te spreken. Want als dat het enkelvoud zou zijn, wat is dan het meer­voud? Eén Win­ter­spe­len, twee Win­ter­spe­lens? Dat is nóg onzin­niger, en daar win je zek­er geen clean sweep aan taalmedailles mee.

Wat vind jij?