Taalterm van de week: Sarcasme

De taal­term van deze week, sar­casme, heeft een scherp rand­je. En dat gebruikt hij ook. Hij vin­dt zichzelf eigen­lijk best wel grap­pig, maar er lacht niet vaak iemand met hem mee.

Definitie

Sar­casme is een sti­jl­figu­ur waar­bij je een bood­schap opzettelijk ver­pakt in woor­den die onn­odig scherp of bij­tend zijn.

Voorbeelden

  • Ik snap niet dat Jim weer zo sar­castisch reageerde op Mariekes voors­tel. Wat heeft hij toch tegen haar?
  • Toen ik voorstelde om naar de Eftel­ing te gaan, zei Mike heel sar­castisch: “Ja hal­lo, ik ben geen kleuter meer!”
  • Voor sar­casme is in een beleefd gesprek geen ruimte.

Etymologie

De bron van deze term kun je vin­den in het Grieks:

  • sarkas­mos (een sneer, het belache­lijk mak­en), van sarkazein (bit­ter spreken)

Weetje

Sar­casme lijkt een beet­je op cynisme.

Het ver­schil is niet zwart-wit, maar bij cynisme denk je eerder aan iemand die spot­tend reageert en mensen kwetst vanu­it een alge­meen negatief denkraam. Bij sar­casme is er vak­er sprake van een soort mis­luk­te humor: iemand die een krenk­ende opmerk­ing maakt en daar­bij over het rand­je gaat.

Sar­casme is ook ver­want aan ironie, een andere vorm van spot. Maar ironie is milder en min­der kwet­send van sar­casme of cynisme.

SaveSave

Wat vind jij?