TVDW: Bijzin

De taal­term van deze week, bijzin, is eraan gewend om de tweede viool te spe­len. Dat vin­dt hij ook niet erg: hij laat net zo lief een ander het zware werk doen. Tegelijk is hij ook heel flex­i­bel, want hij kan zich op aller­lei manieren aansluiten bij de eerste viool.

Definitie

Een bijzin is, in een samengestelde zin, een ondergeschik­te zin die afhanke­lijk is van de hoofdzin.

De bijzin staat vaak achter de hoofdzin. Maar hij kan er ook vóór staan, of zelfs mid­den in de hoofdzin (tussen onder­w­erp en per­soonsvorm).

Voorbeelden

  • Ik had niet gedacht dat hij zou komen.
  • Als het mor­gen regent, gaan we niet naar het park.
  • De demon­stratie, die niet was aangekondigd, liep al snel uit de hand.

Je kunt zelfs bijzin­nen op elka­ar “stape­len” en een bijzin bij een bijzin mak­en:

  • Wie had verwacht dat hij zou trouwen met een meis­je dat hij al kende sinds de lagere school?

Etymologie

Het woord bijzin is afgeleid van de term hoofdzin:

  • bij (toegevoegd) + zin (van Oudned­er­lands sin [gedachte, geest, ver­stand])

Weetje

In het Ned­er­lands kun je een bijzin vaak herken­nen aan de per­soonsvorm (het werk­wo­ord dat bij het onder­w­erp hoort), want die staat vaak aan het eind van de bijzin.

Kijk maar. In de zin Maaike komt naar het feest staat de per­soonsvorm (komt) vooraan in de zin, naast het onder­w­erp (Maaike). Maar maak er een bijzin van en de per­soonsvorm ver­plaatst zich naar het einde van de zin: Ik denk niet dat Maaike naar het feest komt.

Wat vind jij?