Heterowattes?

In de vorige Taalei­doscoop zag je de beladen ter­men geno­cide en allochtoon langskomen. Je hebt nog van me tegoed het ver­haal van waar deze woor­den van­daan komen.

Om met het eerste te begin­nen: geno­cide is zoals zoveel woor­den een nieuwe com­bi­natie van een paar ter­men uit de klassieke oud­heid. In dit geval zijn dat het Griekse woord genos (ras, ges­lacht) en het Lati­jnse achter­voegsel -cide (doder), dat op zijn beurt weer afgeleid is van het werk­wo­ord caedere, dat doden betekent. Datzelfde suf­fix vind je ook in woor­den als pes­ti­cide (plaag+doder) en suï­cide (zelf+doding).

De geboorte van geno­cide is heel pre­cies vast te stellen: het was in 1943. De vad­er van het woord is ook bek­end, dat was de Pools-Joodse jurist Raphael Lemkin (1900−1959). Hij zocht een term die de sys­tem­a­tis­che moord op bepaalde etnis­che groepen zou kun­nen beschri­jven. De Holo­caust was toen in volle gang, maar het his­torische voor­beeld dat hem in eerste instantie op het idee bracht, was de Armeense geno­cide van vlak na de Eerste Werel­door­log. Dezelfde volk­eren­mo­ord, dus, die nu juist aan­lei­d­ing is voor het gesteggel over het woord geno­cide. Je zou het his­torische ironie kun­nen noe­men.

Verder lezen Het­erowattes?

Absurdistisch toneelstuk

In de afgelopen week waren er twee woor­den in het nieuws die een poli­tieke dis­cussie aan­wakker­den en die alle­bei met etnis­che afkomt te mak­en hebben. Die woor­den waren geno­cide en allochtoon.

Om met de laat­ste te begin­nen: in 2008 stelde min­is­ter van Justi­tie Ernst Hirsch Ballin al voor om de term allochtoon te schrap­pen omdat het “een valse tegen­stelling” zou schep­pen. En nu doet min­is­ter voor Inte­gratie Gerd Leers een duit in het­zelfde zak­je, omdat het woord “den­i­gr­erend” zou zijn. Hun tegen­str­ev­er is de PVV, die de defin­i­tie van wat en wie “allochtoon” is juist wil ver­bre­den, zodat méér mensen “allochtoon” wor­den.

En dan die andere, nog meer beladen term. Geno­cide. Meer spec­i­fiek: de Armeense geno­cide. Daar doet zich inter­na­tion­aal een rare spa­gaat voor. In Turk­i­je is het ver­bo­den om die his­torische gebeurtenis­sen een geno­cide te noe­men, en sinds vorige week is het in Frankrijk ver­bo­den om te ontken­nen dat het een geno­cide was. Die twee stelling­na­men zijn per defin­i­tie onv­erenig­baar.

Wat betekent een woord…?

Nou gaat de Taalei­doscoop er niet over wie wel of niet een allochtoon is, of wat wel of niet een geno­cide is. Maar in bei­de gevallen is er iets inter­es­sants aan de hand: de hele dis­cussie gaat maar in beperk­te mate over de maatschap­pelijke of his­torische werke­lijkheid. De vraag is niet of er mensen zijn die geen inboor­ling van de Ned­er­lan­den zijn; de vraag is niet of er mas­saal Armeniërs gedood zijn. Nee, de vraag is hoe we die din­gen noe­men. Welk woord­je plak je erop?

Daarmee wordt het taal­spel ver­heven tot een poli­tieke stri­jd, en zelfs tot een filosofisch prob­leem: hoe ver­houdt de beteke­nis van onze woor­den zich tot de realiteit van ons bestaan?

Verder lezen Absur­dis­tisch toneel­stuk

Aambeeld

De Taalei­doscoop van vorige week was eigen­lijk bedoeld als inlei­d­ing voor een ander ver­haal. Om verder te kun­nen vertellen, moet ik eerst even vast­stellen dat je metaforen ook kunt gebruiken in beeld­taal. Teken anno 2012 in Ned­er­land een car­toon van een slan­gen­lichaam met het hoofd van een bepaalde geblondeerde frac­tievoorzit­ter, en iedereen weet wat je bedoelt.

(Spot)prenten zijn sowieso een rijke bron van beeld­metaforen, en dat is al heel lang zo. Het voor­beeld waar het ver­volg van dit taalver­haal over gaat is meer dan 200 jaar oud, en dateert van de tijd van de Franse Rev­o­lu­tie. Dit is hem.

Wat doen deze man­nen?

Ik kreeg hem te zien van een mij goed bek­ende mid­del­bareschool­ganger, die hem moest beo­orde­len voor een proe­fw­erk geschiede­nis. De drie heren zijn een edel­man, een priester en een boer, en op het aam­beeld ligt een boek: een nieuwe grondwet. Maar, voor­dat je bij de hamvraag komt, eerst een geschiedenislesje.

De korte samen­vat­ting: voor de Franse Rev­o­lu­tie was Frankrijk een koninkrijk met een absolute monar­chie en een standen­samen­lev­ing. De eerste en tweede stand (geestelijkheid en adel) genoten aller­lei priv­i­leges, ter­wi­jl de derde stand (boeren, burg­ers en bour­geoisie) via belastin­gen de reken­ing moesten betal­en voor de oor­logen waarin de kon­ing zich had gestort.

Verder lezen Aam­beeld

Snap je ’m?

Het gebruik van metaforen is niet zon­der risico’s. Een metafoor of beeld­spraak is dan ook een kun­st­stuk­je van taal­ge­bruik. In het kort komt het erop neer dat je zegt wat je wilt zeggen door niet te zeggen wat je wilt zeggen.

Een voor­beeld. Je kunt over een col­le­ga zeggen dat hij “een echt werk­paard” is. Daarmee bedoel je niet dat de per­soon in kwest­ie een vier­voetig, een­ho­e­vig zoogdi­er is van het soort equ­us cabal­lus. Nee, je pakt bepaalde eigen­schap­pen van dat dier (kracht, trouw en doorzettingsver­mo­gen bijvoor­beeld) en plakt die via de metafoor op je col­le­ga.

Sticks and stones…

Maar degene die de metafoor ont­vangt, moet wel snap­pen welke eigen­schap­pen je wilt over­bren­gen en waar ze voor staan. Anders werkt de metafoor niet.

Nog een voor­beeld. Jaren gele­den las ik met medestu­den­ten deze zin, nota bene als voor­beeld van een metafoor: The chair­man plowed through the meet­ing. Wij begrepen alle­maal de beeld­spraak als vol­gt: het was een zware ver­gader­ing die de voorzit­ter slechts met moeite tot een goed einde bracht. Maar ver­vol­gens bleek uit de begelei­dende tekst dat de beoogde metafoor juist was: de voorzit­ter ging voor­varend te werk en raas­de door de ver­gader­ing heen. Heel iets anders!

Zo zie je dat het idee van “ploe­gen” twee con­cepten samen­brengt. Het is een ont­moet­ing van een sta­tis­che kracht (de aarde) en een dynamis­che kracht (de ploeg).

Verder lezen Snap je ’m?

Mobiel grabbelen

Tij­dens het ker­stre­ces heb ik me ein­delijk lat­en ver­lei­den om Word­feud op mijn iPhone te zetten. Voor wie het niet weet: Word­feud is een kloon van Scrab­ble waarmee je online met vrien­den en vreem­den wereld­wi­jd kunt spe­len.

Woord­vete

Ein­delijk, zeg ik, want de Word­feud-rage raast al een tijd­je door app-land. Ik heb er lang weer­stand aan gebo­den, met als voor­naam­ste reden dat ik hele­maal niet goed ben in Scrab­ble – daar kom ik zo nog even op terug – en mezelf dus al kansloos ten onder zag gaan. Maar goed. Een­maal aan het spe­len ges­la­gen ontkom ik niet aan een paar kleine over­denkin­gen. Ik zet ze op een rij.

Om te begin­nen: de naam. Vraag me niet waarom, maar ik moet de Ned­er­lan­der nog tegenkomen die Word­feud spon­taan goed uit­spreekt. (Ze zijn er vast wel, maar ken­nelijk niet in mijn onmid­del­lijke kring van online kloon­scrabbe­laars.) Ik hoor, in fonetisch Ned­er­lands, “feut” en “foit” en aller­lei andere inter­es­sant vari­anten. Maar feud klinkt net als viewed, alleen met een f‑klank aan het begin.

Verder lezen Mobiel grabbe­len

Ongeldig

Ook in een hip & hap­penin’ café kan het je overkomen dat je ineens moet plassen. En een béét­je trendy & trend­ing café biedt dan ook aan de berol­stoelde mede­mens de mogelijkheid om te plassen.

Toi­let­ten in alle soorten en mat­en

Maar niet eerder zag ik in een chic & char­mant café de beweg­wi­jz­er­ing die ik tegenkwam in een etab­lisse­ment nabij par­lement in onze hof­s­tad. Op weg naar het her­en­toi­let (zie linkson­der in mijn kleine trip­tiek) zag ik eerst de aan­wi­jz­ing voor het damestoi­let (zie links­boven), en toen, voor­bij mijn doeldeur, het toi­let voor de miva (rechts).

Eh, wacht even. De miva…?

Verder lezen Ongeldig