TVDW: Zelfstandig naamwoord

De taal­term van deze week, zelf­s­tandig naam­wo­ord, is niet graag afhanke­lijk van anderen. Maar hij is zek­er niet aso­ci­aal: hij maakt graag vriend­jes met aller­lei andere woor­den. Toch wil hij wel graag een streep­je voor hebben; als je met hem praat, moet het wel ergens over gáán.

Definitie

Een zelf­s­tandig naam­wo­ord of sub­stantief is een naam­wo­ord (een woord dat een per­soon of zaak noemt, bepaalt of aan­duidt) dat op zichzelf kan staan en dat aangeeft waar een uit­spraak over gaat.

Bij veel zelf­s­tandig naam­wo­ord hoort een lid­wo­ord. In ieder geval een bepaald lid­wo­ord: de of het – en soms zelfs alle­bei. En bij tel­bare zelf­s­tandi­ge naam­wo­or­den kan ook het onbepaald lid­wo­ord een staan.

Ook geografis­che en per­soon­sna­men gelden als zelf­s­tandi­ge naam­wo­or­den.

Voorbeelden

  • Het stad­huis van Brus­sel is erg mooi.
  • De lan­taarn­paal is kapot.
  • Heeft Peter ook een hond?
  • Heeft hij zijn mid­del­bareschoolo­plei­d­ing al afgerond?

Etymologie

Deze taal­term speci­ficeert een bepaald soort naam­wo­ord. Een bijvoeglijk naam­wo­ord kan niet op zichzelf staan, maar een zelf­s­tandig naam­wo­ord wel.

  • zelf­s­tandig (op zichzelf staand) + naam- (benam­ing) + -woord (een­heid van taal)

Weetje

Je zag het hier­boven al bij de voor­beelden: je kunt meerdere zelf­s­tandi­ge naam­wo­or­den samen­voe­gen en com­bineren tot één nieuw woord. Sterk­er nog: het woord naam­wo­ord zélf is daar ook een voor­beeld van!

Zo’n com­bi-zelf­s­tandig naam­wo­ord heet een samen­stelling.

Wat vind jij?