TVDW: Lidwoord

De taal­term van deze week, lid­wo­ord, is zó beschei­den dat je hem meestal bij­na niet opmerkt. Hij trekt vaak samen op met kom­pa­nen die nogal opval­lend en luidruchtig zijn, en daar­bij steekt het lid­wo­ord dan wat schrielt­jes af. Toch is hij erg sym­pa­thiek en vooral ook heel nut­tig.

Definitie

Een lid­wo­ord is een func­tiewo­ord dat meestal ver­bon­den is aan een zelf­s­tandig naam­wo­ord. Een andere (meer tech­nis­che) term voor lid­wo­ord is artikel.

Het geeft de bepaald­heid aan van dat andere woord: of het iets spec­i­fieks is wat al bek­end is (waar eerder naar ver­wezen is), of dat het meer alge­meen en onbek­end is. Dat klinkt miss­chien een beet­je moeil­ijk, maar je taal­in­tuïtie voelt dit haarfi­jn aan: het is het ver­schil tussen “ik zit in een restau­rant” (onbepaald) en “ik zit in het restau­rant” (bepaald).

Het Ned­er­lands kent één onbepaald lid­wo­ord (een) en twee bepaalde lid­wo­or­den (de en het).

Een lid­wo­ord kan ook het ges­lacht van een woord aangeven: man­nelijk, vrouwelijk of onz­i­jdig. Zie ook het Weet­je hieron­der!

Voorbeelden

  • Miss­chien moeten we een nieuwe matras kopen.
  • De nieuwe matras wordt mor­gen geleverd.
  • Heb je het nieuws al geho­ord?
  • Het eng­ste aan deze film vond ik de onheil­spel­lende muziek.

In som­mige gevallen veran­dert de keuze van het lid­wo­ord ook de beteke­nis van het bijbe­horende woord:

  • De haar in mijn soep is bru­in.
  • Het haar op mijn hoofd is bru­in.

Etymologie

Een lid­wo­ord heette eerst alleen een lid – de toevoeg­ing -woord is er lat­er voor de duidelijkheid bijgekomen. En lid (lichaams­deel) is op zijn beurt weer gekozen naar analo­gie met het Lati­jnse artic­u­lus (gewricht, deel van een tekst):

  • lid (deel) + woord

Weetje

In tal­en zoals het Frans, Duits en Spaans is elk lid­wo­ord ver­bon­den met één gram­mat­i­caal ges­lacht: bijvoor­beeld man­nelijk (le, der, el), vrouwelijk (la, die, la) of onz­i­jdig (-, das, -).

Ook in het Ned­er­lands ligt het gram­mat­i­cale ges­lacht voor een deel ver­ankerd in het lid­wo­ord, maar niet hele­maal. Alle het-woor­den zijn onz­i­jdig, maar de-woor­den kun­nen zow­el man­nelijk als vrouwelijk zijn, en zelfs alle­bei!

Wat vind jij?