Taalterm van de week: werkwoord

De taal­term van deze week, werk­wo­ord, heeft alti­jd wat te doen. Meestal doet hij dat liev­er zelf, maar hij kan ook heel behulpza­am zijn voor zijn buren. Eén ding weet hij in ieder geval zek­er: zon­der hem zou er nooit wat gebeuren, dan was het maar een saaie boel.

Definitie

Een werk­wo­ord is een woord waarmee je een han­del­ing of pro­ces aanduidt.

Anders gezegd: met een werk­wo­ord geef je in een tekst aan wat iets of iemand doet, of wat er gebeurt.

Voorbeelden

  • Han loopt op straat.
  • Wij denken dat we er op tijd zullen zijn.
  • Ik heb alti­jd al geweten dat hij bril­jant was.

Etymologie

Dit is een recht­toe rech­taan taal­term: hij omschri­jft wat hij is.

  • werk– (van werken, actie nemen of veroorza­k­en) + woord (een­heid van taal)

Weetje

Je kunt de cat­e­gorie “werk­wo­or­den” op een aan­tal manieren onderverdelen:

  • Sterke werk­wo­or­den zijn onregel­matig; je ver­voegt niet ze vol­gens de kof­schip-regels
    Denk aan: binden – bond – gebonden.
  • Zwakke werk­wo­or­den zijn regel­matig en houden zich dus wél aan het kof­schip.
    Denk aan: mak­en – maak­te – gemaakt.

Maar er is nog meer:

  • Over­ganke­lijke werk­wo­or­den (of: tran­si­tieve werk­wo­or­den) hebben een lij­dend voor­w­erp nodig; de “werk­ing” of han­del­ing heeft dus effect op iets of iemand. 
    Denk aan: Ik felici­teer je met je ver­jaardag. Je kunt niet alleen zeggen “ik felici­teer”; dat klinkt heel raar. Het feliciteren heeft alti­jd een object nodig.
  • Onover­ganke­lijke werk­wo­or­den (of: intran­si­tieve werk­wo­or­den) hebben juist geen lij­dend voor­w­erp nodig. Ze kun­nen op zichzelf staan. 
    Denk aan: Ik sport elke week. Je kunt niet zeggen: “ik sport jou elke week”; dat slaat ner­gens op. Het sporten heeft alleen een onder­w­erp (sub­ject) nodig.
  • Er zijn ook werk­wo­or­den die zow­el over­ganke­lijk als onover­ganke­lijk kun­nen zijn. 
    Denk aan spe­len. In de zin Ga je mee spe­len? is het onover­ganke­lijk; in de zin Wij spe­len voet­bal is het overgankelijk.

Je kunt ook nog kijken naar een meer func­tion­eel verschil:

  • Zelf­s­tandi­ge werk­wo­or­den zijn inhoudswo­or­den die een duidelijke beteke­nis dra­gen. 
    Denk aan: sparendansenuit­gli­j­den. Bij een zelf­s­tandig werk­wo­ord kun je je de werk­ing of han­del­ing meteen goed voorstellen.
  • Hulp­w­erk­wo­or­den dra­gen zelf geen “actieve” beteke­nis, maar mak­en samen met een zelf­s­tandig werk­wo­ord een nieuw tijd­saspect. 
    Denk aan hebben en zullen in: Hij heeft gez­wom­men en Wij zullen door­gaan.
  • Kop­pel­w­erk­wo­or­den hebben ook geen eigen “han­de­lende” beteke­nis; ze verbinden een naam­wo­ord aan een ander ele­ment in de zin. 
    Denk aan wor­den en zijn in zin­nen als: Hij wordt ongeduldig en Dit boek is saai.

Verder kun je nog een ander onder­scheid maken:

  • Wed­erk­erende werk­wo­or­den (of: reflex­ieve werk­wo­or­den) werken samen met het wed­erk­erend voor­naam­wo­ord zich (of me, je, u of ons), of met elka­ar. Daar­door slaat de beteke­nis van het zelf­s­tandi­ge werk­wo­ord terug op de han­de­lende per­soon, of wed­erz­i­jds op twee han­de­lende per­so­n­en. 
    Denk aan: Hij ver­gist zich bij­na nooit en Zij gaven elka­ar de hand. In dit soort zin­nen zijn het onder­w­erp en het lij­dend voor­w­erp dezelfde per­soon of instantie.
  • Niet-wed­erk­erende werk­wo­or­den hebben niet zo’n op-zichzelf-terugslaand effect.
  • Er zijn ook werk­wo­or­den die zow­el wed­erk­erend als niet-wed­erk­erend kun­nen zijn. 
    Denk aan scheren. In de zin Ik scheer me elke ocht­end is het reflex­ief (want ik scheer mezelf); in de zin De bar­bi­er scheert de kon­ing is het niet-reflex­ief (want de bar­bi­er scheert een ander).

Ten slotte heb je ook nog een apart groep­je werkwoorden:

  • Onper­soon­lijke werk­wo­or­den kun je alleen gebruiken met het (derde per­soon enkelvoud, onz­i­jdig). 
    Denk aan: waaien. Je kunt wel zeggen Het waait hard van­daag, maar het is onzin­nig om te zeggen “Hans waait alleen op dins­da­gen” of “Ik waai je mor­gen wel weer”.

Bonus-weet­je
Wil je meer weten over een heel aparte wis­sel­w­erk­ing tussen wed­erk­erende werk­wo­or­den en de lij­dende vorm? Lees dan snel dit artikel! Dan weet je meteen waarom een zin als “Ze wor­den door zichzelf aangek­leed” pijn doet aan je hersens.

Wat vind jij?