Taalterm: Foneem

De taal­term van deze week, foneem, klinkt je vast als muziek in de oren. Want voor hem draait alles om gelu­id. Als je wilt zeggen wat je bedoelt, dan moet je dat kun­nen horen, is zijn motto.

Definitie

Fone­men zijn de kle­in­ste ver­schillen in klank die een gespro­ken woord beteke­nis kun­nen geven. Een foneem kan een heel woord zijn, maar is meestal een let­ter­greep of een deel daarvan.

Voorbeelden

  • Het ver­schil in beteke­nis tussen ‘lep­el’ en ‘lep­els’ zit hem in het foneem ‘s’.
  • Je kunt ‘gat’, ‘goed’, ‘get’, ‘git’, ‘god’, ‘giet’, ‘gaat’ en ‘gut’ van elka­ar onder­schei­den door hun mid­del­ste foneem.

Etymologie

De wor­tels van deze term gaan terug op het Grieks:

  • phone­ma (gelu­id, stem); van phonein (klinken, spreken)

Denk bijvoor­beeld aan het woord tele­foon, waarin -foon ook betekent: klinken.

Weetje

Som­mige fone­men zijn tweeklanken (moeil­ijk woord: difton­gen), waarin twee ver­schil­lende klanken samenkomen.

Voeg bijvoor­beeld de fone­men ‘a’ uit gat en ‘oe’ uit goed samen, en je kri­jgt ‘au’ of ‘ou’, zoals in goud.

Wat vind jij?