Nosferatu

Twee weken gele­den werd ik ver­blijd door een dode dame. Ze stierf in de pest­epi­de­mie die Venetië in 1576 plaagde, en haar res­ten zijn nu ont­dekt in een mas­sa­graf uit die tijd. Deze mevrouw ver­blijdde me omdat ze net even anders dan anders was: ze werd begra­ven met een bak­steen in haar mond.

Vampier?
Vampier?

Wetenschappers den­ken dat dit was omdat de vrouw ervan ver­dacht werd een vam­pier te zijn. Geen vam­pier in de bekende “bloed­drin­ker” zin van het woord, maar een heks die (vol­gens een toen wijd­ver­breid bij­ge­loof) de pest bracht door na haar dood door haar lijk­wade heen te kau­wen en zo de ziekte te ver­sprei­den. Om dat te voor­ko­men, stop­ten graf­del­vers een bak­steen in de mond van ver­moe­de­lijke vampiers.

Ik was zo blij met dit bericht, omdat ik toen net het boek uit­ge­le­zen had dat de moderne vam­pier­my­the als geen ander heeft gevormd: Dracula (1897), door de Ier Bram Stoker. Hier vind je het hele vam­pier­cir­cus bij elkaar: de cru­ci­fixen en de beet in de nek en de knof­look en de doods­kist en de lange hoek­tan­den etc. Dracula is eigen­lijk geen goede roman, maar Graaf Dracula is nu toch wel de vam­pier bij uit­stek. Hij heeft het zelfs geschopt tot in Sesamstraat, waar hij kleu­ters leert cij­fe­ren als Graaf Tel (in het Engelse ori­gi­neel, bril­jant en sim­pel: The Count.)

The Count
The Count

Al sinds de oud­heid kent men ver­ha­len over gees­ten of wezens die van­uit de dood als demo­nen terug­ke­ren om ons te kwel­len. Maar het geloof in “on-doden” die zich voe­den met het bloed van de leven­den (die dan zelf ook vam­piers wor­den) dateert waar­schijn­lijk uit de vroege 18e eeuw en is van Oost-Europese ori­gine. Het heeft zich door de eeu­wen heen west­waarts ver­spreid en steeds aan­ge­past aan de lokale fol­klore. Het woord vam­pir (of upir) is dan ook een Slavische term; de ety­mo­lo­gie is onze­ker, maar het kan terug­voe­ren op woor­den voor “vleer­muis” of  “heks”.

Van Dracula leerde ik ook een paar inte­res­sante taal­wee­tjes. Bijvoorbeeld dat vam­pier­ja­ger Abraham Van Helsing in het boek een Nederlander is, die gepast geman­geld Engels spreekt. Stoker weet dit Nederengels soms vrij goed te tref­fen, maar hij laat Van Helsing ook uit­roe­pen “Mein Gott!”, wat toch doet ver­moe­den dat zijn ken­nis van het Nederlands vrij beperkt was…

Een ander inte­res­sant detail: een van de per­so­na­ges is een Amerikaan, Quincy Morris, en een van de Britten in het boek geeft com­men­taar op zijn gebruik van de uit­druk­king to take no chan­ces, wat als een onge­wenst Amerikanisme bestem­peld wordt. Ik denk dat geen Brit dat van­daag nog zo voelt.

Maar wie in ieder geval took no chan­ces was die graf­del­ver in 16e-eeuws Venetië: een bak­steen in de mond is geen over­bo­dige luxe, als je de pest hebt aan vampiers!

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

op zoek naar iets anders?