Miauw

Er zijn ter­men uit de exacte weten­schap die een eigen lev­en gaan lei­den. Die zich losweken uit hun oor­spronke­lijke con­text en in gepop­u­lariseerde vorm verder­gaan. Zo zijn er op het gemid­delde ver­jaardags­feestje niet veel mensen die je de fijne kneep­jes kun­nen uit­leggen van Ein­steins spe­ciale rel­a­tiviteit­s­the­o­rie. Maar op datzelfde feestje kent zowat iedereen de vergelijk­ing E=mc2.

En zo kom ik bij een kat. Die van Schrödinger. Je hebt miss­chien al wel eens van hem geho­ord. Als je online een beet­je rond­snuffelt (hon­den­metafoor, sor­ry) ont­dek je al snel dat dit beestje niet voor de poes is. Tal­loze plaat­jes, car­toons en film­p­jes zijn er. Muziek en boeken, ook. En hij heeft gefig­ureerd in tv-series van West Wing tot House M.D., van CSI tot Numb3rs.

Voor oude én nieuwe vrien­den doe ik even een stap­je terug naar de eerste decen­nia van de twintig­ste eeuw. Toen waren fysi­ci net begonnen om de regels van de kwan­tum­me­chan­i­ca – de beschri­jv­ing van het gedrag van de allerkle­in­ste deelt­jes, die zich niet houden aan de wet­ten van de klassieke natu­urkunde – met elka­ar uit te vecht­en. Een van de betwiste pun­ten was (en is) de rol van de waarne­m­ing, de met­ing: beïn­vloedt het waarne­men het waargenomene?

Een van de stro­min­gen in de kwan­tum­fys­i­ca, de zoge­naamde Kopen­haagse inter­pre­tatie, zegt dat een ongeob­serveerd deelt­je zich in een staat van “super­posi­tie” bevin­dt. Heel kort door de bocht betekent dit dat alle mogelijke eigen­schap­pen van dat deelt­je tegelijk bestaan, tot­dat het waargenomen wordt. Om de prob­le­men met deze inter­pre­tatie tast­baar te mak­en, stelde de Oost­en­rijkse natu­urkundi­ge Erwin Schrödinger (1887-1961) het vol­gende gedachte-exper­i­ment voor.

Stop een kat in een doos, samen met een flesje gif, een geigerteller en een klein beet­je radioac­tief mate­ri­aal. Als er een radioac­tief deelt­je ver­valt (spon­taan veran­dert in een ander atoom), meet de geigerteller dat en gaat er een hamert­je af dat de gif­fles open­breekt, waar­door de kat sterft. Na een uur is de kans dat er een atoom is ver­vallen even groot als de kans dat dat niet is gebeurd.

Kat in het bakkie?
Kat in het bakkie?

Vraag: is de kat na dat uur lev­end of dood? Vol­gens de Kopen­haagse inter­pre­tatie is dat radioac­tieve deelt­je – tot­dat het waargenomen wordt – in super­posi­tie: het is wel én niet ver­vallen. Maar dan is die kat dus tegelijk­er­ti­jd én lev­end én dood. En dat, zei Schrödinger, is absurd.

Welke the­o­rie uitein­delijk ook zal prevaleren (daar zijn ze nog lang niet uit), deze snoezepoes heeft zijn rep­u­tatie al geves­tigd. Schrödingers kat is een sym­bool gewor­den van alles wat men niet kan ken­nen tot­dat het waargenomen is. Hij is de vleesge­wor­den onzek­er­heid. En dat is geen kat­ten­pis.

Of juist wel, natu­urlijk.

Wat vind jij?