Fixen vs. fiksen

Als je belooft om iets voor iemand voor elkaar te krijgen, ga je dat dan “fixen” of “fiksen”? Of mag het misschien allebei? En zo ja, kan je deze woorden dan altijd zomaar door elkaar gebruiken? Het antwoord op al de vragen is: dat hangt ervan af, vaak wel, en absoluut niet. Hoe dat zit? We leggen het uit!

Waar hebben we het over?

Sommige woorden zijn homofoon, delen dezelfde etymologie én hebben een overlappende betekenis – maar ook dan zijn er nog situaties waarin ze niet onderling uitwisselbaar zijn.

Betekenis en gebruik

Zowel fixen als fiksen is afgeleid van het Engelse fix, maar hun betekenissen overlappen slechts ten dele:

  • Fixen betekent: spuiten (van drugs), door omkoping beïnvloeden (van een wedstrijd); maar ook: regelen, repareren.
  • Fiksen betekent: in orde maken, herstellen (van een fout).

Voorbeelden 

De betekenissen van “spuiten” en “beïnvloeden” zijn voorbehouden aan fixen. 

  • Ik wist dat Freek een drugsprobleem had, maar niet dat hij zelfs op kantoor aan het fixen was.
  • De scheidsrechter en de coach hadden een deal gemaakt om de wedstrijd te fixen.

Het onderscheid tussen “regelen” en “in orde maken” is schimmiger. In veel gevallen kun je hier dus voor beide spellingen kiezen. Toch heeft fiksen vaak de voorkeur, zeker in de zin van “ondanks moeilijkheden voor elkaar krijgen”.

  • Clara kan het wel fiksen / fixen dat je ook een uitnodiging krijgt voor het bal.
  • Ik dacht niet dat het je op tijd zou lukken, maar dat heb je mooi gefikst / gefixt!

Ook “repareren” en “herstellen” zijn verwante betekenissen, maar hier kies je voor fixen als je iets fysiek weer werkend maakt, en voor fiksen als je iets wat is misgegaan weer goed maakt.

  • Wat fijn dat je mijn auto hebt gefixt.
  • De gemeente had mijn brief naar de verkeerde afdeling gestuurd, maar ze hebben dat later alsnog gefikst.

Even opletten

Beide spellingen zijn in de periode na de Tweede Wereldoorlog in het Nederlands courant geworden. Deze woorden zijn dus al ruim 70 jaar in gebruik.

In het ene geval is het Engelse woord fix gewoon in een Nederlands werkwoord veranderd door het suffix -en toe te voegen, maar in het andere geval is de Engelse letter x voor de “ks”-klank ook vervangen door de in onze taal meer gangbare spelling -ks-.

Weetje

Het Engelse woord fix is al in gebruik sinds de late 14e eeuw en stamt af van het Latijn, waar fixus zoveel betekent als “vast”, “onbeweegbaar”, “vaststaand”.

Het Nederlandse werkwoord fixeren (“vastmaken”) is veel ouder dan fixen en fiksen: we kennen dit woord als sinds de late 15e eeuw, als afgeleide van het Franse fixer.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

op zoek naar iets anders?