Zzp-er vs. zzp’er

Hoe noem je iemand die eigen baas is en geen andere mensen in dienst heeft? Een zzp’er? Of toch een zzp-er? Mag het miss­chien alle­bei – en zo nee, wat is dan het ver­schil?

Waar hebben we het over?

Er gelden spe­ciale spellingsregels ron­dom afko­rtin­gen, en die zijn niet alti­jd even makke­lijk te onthouden. Daarom ontstaan soms woord­vor­men die je vaak gebruikt ziet, maar die toch niet vol­gens de regels zijn.

Betekenis en gebruik

  • Zzp-er is een veel voorkomende spellingsvari­ant van zzp’er, maar geldt niet als cor­rect.
  • Een zzp’er is een zelf­stan­di­ge zon­der per­so­neel.

Voorbeelden

  • De juridis­che sta­tus van zzp’ers is vaak onduidelijk.
  • Veel zzp’ers hebben ook een part­time dien­stver­band.

Even opletten

De basis­regel is zo: als je het suf­fix -er plakt achter een ini­ti­aal­wo­ord (een afko­rt­ing die je als afzon­der­lijke let­ters uit­spreekt), verbind je de twee woord­de­len met een apos­trof. Andere voor­beelden:

  • VVD’er
  • vwo’er
  • ICT’er
  • bhv’er

Weetje

De term zzp’er is een beet­je vreemd. Meestal gebruik je het achter­voegsel -er om een mens te omschri­jven die hoort bij een ander woord. Zo wordt “sport” → sporter en “ADHD” → ADHD’er.

Maar eigen­lijk zou zzp al genoeg moeten zijn, want dat staat al voor zelf­s­tandi­ge zon­der per­son­eel en geeft dus al een mens aan. De toevoeg­ing -er is dan over­bod­ig. Het is alsof je de afko­rt­ing mp (min­is­ter-pres­i­dent) veran­dert in “mp’er”.

Wat vind jij?