Taalterm van de week: telwoord

De taal­term van deze week, tel­wo­ord, heeft ze alle­maal op een rij. Hij weet ook pre­cies hoeveel iets kost, en hoe lang hij al wacht, en welk num­mer er nu op één staat. Maar wat de meeste mensen niet weten over hem: hij is een vierling.

Definitie

Een tel­wo­ord is een woord waarmee je een aan­tal, hoeveel­heid of ran­gorde kunt aanduiden.

Er zijn om te begin­nen twee cat­e­gorieën van tel­wo­or­den: bepaalde en onbepaalde.

  • Bepaalde tel­wo­or­den geven pre­cies de hoeveel­heid, het aan­tal of de ran­gorde of vol­go­rde aan. Deze kun je niet alleen met let­ters als woord schri­jven (“tien”, “tiende”), maar ook met cijfers als getal (“10”, “10e”) – al is het dan strikt genomen geen tel-woord meer.
  • Onbepaalde tel­wo­or­den geven niet exact aan om welke hoeveel­heid, aan­tal, rang of vol­go­rde het gaat.

In de prak­tijk denken de meeste mensen bij een “tel­wo­ord” aan de bepaalde tel­wo­or­den. Maar je kunt alle tel­wo­or­den nog verder onderverde­len in hoofdtel­wo­or­den en rangtel­wo­or­den:

  • Hoofdtel­wo­or­den geven de hoeveel­heid of het aan­tal aan, maar zeggen niets over de ran­gorde of volgorde. 
  • Rangtel­wo­or­den geven juist wel aan welke plaats het tel­wo­ord in een (denkbeeldige) reeks of serie inneemt. 

Als je die twee assen com­bi­neert, kom je uit op vier ver­schil­lende soorten tel­wo­or­den: bepaalde hoofdtel­wo­or­den, bepaalde rangtel­wo­or­den, onbepaalde hoofdtel­wo­or­den en onbepaalde rangtelwoorden. 

Voorbeelden

Bepaalde hoofdtel­wo­or­den:

  • Ik heb een acht voor mijn wiskundeproefwerk!
  • Een voet­balelf­tal heeft, natu­urlijk, elf spelers.
  • Er zijn hon­derd rede­nen waarom ik van je hou.
  • Wat zijn de zeven wereldwonderen?

Bepaalde rangtel­wo­or­den:

  • Henk is voor de eerste keer gaan bungeejumpen.
  • Heeft hij ook kinderen uit zijn derde huwelijk?
  • Mijn zoon zit in de zes­de klas.
  • Voor de duizend­ste keer: laat me met rust!

Onbepaalde hoofdtel­wo­or­den:

  • Om meerdere rede­nen vind ik dit geen goed idee.
  • Hij vin­dt dat het plan veel voorde­len heeft.
  • Geloof me, Sask­ia heeft genoeg geld.
  • Som­mige gas­ten gin­gen al vroeg naar huis.

Onbepaalde rangtel­wo­or­den:

  • Ik kies alti­jd de weg van de min­ste weerstand.
  • Tij­dens onze laat­ste vakantie heeft hij het uitgemaakt.
  • Pierre is het mid­del­ste kind.
  • Dit is al de zoveel­ste keer dat ze te laat is.

Etymologie

Hoe func­tion­eel wil je het hebben? Deze taal­term legt zichzelf haarfi­jn uit:

  • tel (van tellen) + woord

Weetje

Bij hele grote aan­tallen of hoeveel­he­den zie je vaak een com­bi­natie van getallen en tel­wo­or­den. Denk aan:

  • De jack­pot staat op 46 miljoen.
  • Onze fab­riek pro­duceert 150 mil­jard ping­pong­ballen per jaar.

Bonus-weet­je
Als je een breuk uitschri­jft, kri­jg je alti­jd een com­bi­natie van een hoofdtel­wo­ord plus een rangtel­wo­ord. Ga maar na: één derde, vijf twaalfde, drie miljoen­ste.

Wat vind jij?