De taalterm van deze week, modaliteit, heeft zo zijn eigen mening over de zaken. En hij is ook niet te beroerd om die mening kenbaar te maken. Maar dat doet hij niet in your face, het moet wel een beetje subtiel blijven.
Definitie
Modaliteit voegt een laag toe aan de boodschap in een taaluiting door iets te zeggen over het perspectief van de taalgebruiker zelf.
Daarmee is die boodschap dus niet meer neutraal of objectief te noemen. Via de modaliteit communiceert de spreker iets over zijn eigen kijk op de werkelijkheid die in de tekst beschreven wordt.
Twee veel voorkomende manieren om modaliteit in een tekst te brengen zijn modale hulpwerkwoorden en bijwoorden. Hieronder zie je hoe dat werkt.
Voorbeelden
Hulpwerkwoorden
Eerst de modale hulpwerkwoorden. Dat zijn werkwoorden zoals moeten, mogen, willen, schijnen, lijken en blijken. Die kun je koppelen aan een ander werkwoord om er een bepaald oordeel of een bepaalde invalshoek over te geven.
Kijk maar hoe de toevoeging van zo’n modaal hulpwerkwoord het andere werkwoord kleurt:
- Ik doe mijn best.
Ik moet mijn best doen. - Hij helpt haar.
Hij wil haar helpen. - Het komt goed.
Het lijkt goed te komen.
Zie je hoe met de modaliteit ook het oordeel of perspectief van de spreker boven komt drijven?
Je kunt modale hulpwerkwoorden zelfs op elkaar stapelen. Kijk maar naar deze reeks:
- We dansen.
- We willen dansen.
- We zouden willen dansen.
- We zouden moeten willen dansen.
- We zouden moeten willen kunnen dansen.
Op een bepaald moment wordt zo’n stapeling vaak onzinnig of heel lastig te volgen – maar het kán wel! En bij elke stap voeg je weer een interpretatieve laag toe: al die zinnen betekenen net even iets anders.
Bijwoorden
En dan de bijwoorden. Die koppel je aan een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord om er iets over te zeggen. Denk aan woorden zoals helaas, gelukkig, hopelijk, misschien, schijnbaar en kennelijk.
Ook hier zie je dat het toevoegen van modaliteit de boodschap kleurt:
- Pierre kan niet komen.
Pierre kan gelukkig niet komen. - De vakantie gaat niet door.
Spijtig genoeg gaat de vakantie niet door. - Hij heeft in Edinburgh gestudeerd.
Hij heeft kennelijk in Edinburgh gestudeerd. - Het probleem is ernstig.
Het probleem is hoogstwaarschijnlijk ernstig.
Andere vormen
Er zijn nog meer manieren om modaliteit in een tekst te brengen, maar het gaat te ver die hier allemaal te bespreken.
Eentje wil ik je wel meegeven: de kleine woordjes die modale partikels genoemd worden. Ze voegen geen feitelijke informatie toe, maar kunnen wel degelijk de betekenis of gevoelswaarde van de zin ombuigen. Denk aan al, eens, ook, maar, nou, zelfs, pas, soms, wel en toch.
Net als bij modale hulpwerkwoorden kun je die modale partikels met elkaar combineren. Kijk maar eens naar deze stapeling:
- Gaat u zitten.
- Gaat u maar zitten.
- Gaat u maar eens zitten.
- Gaat u maar eens even zitten.
- Gaat u toch maar eens even zitten.
- Gaat u toch maar eens even lekker zitten.
Ook hier zie je: elke combinatie is net even anders, hoe subtiel ook. (En dit zijn bij lange na niet alle mogelijke combo’s!)
Etymologie
Deze term gaat terug op het Franse modalité, en daarvoor nog op het Latijn.
- modalitatem (“het modaal zijn”), van modalis (“in een bepaalde modus of wijze”), van modus (“wijze”, “stijl”, “mate”)
Denk ook aan het Engelse mode in termen zoals sleep mode of airplane mode. Daarmee zet je een apparaat in een bepaalde “stand”. Op dezelfde manier zet je met een modaliteit in de taal de rest van een boodschap in een “stand”: de spreker zegt iets over zijn kijk op de inhoud.
Weetje
Ook het Engels kent modale hulpwerwoorden. Die herken je aan het feit dat ze nooit verbuigen. Ze hebben dus geen meervoud of enkelvoud, geen he-vorm die anders is dan de you-vorm, etc.
Voorbeelden zijn: can, might, should, may en must.

Geef een reactie