TVDW: Hoofdzin

De taal­term van deze week, hoofdzin, regelt graag al zijn zaak­jes zelf. Hij wil niet van een ander afhanke­lijk zijn, maar is alti­jd bereid om met anderen samen te werken. Zolang hij maar de baas bli­jft.

Definitie

Een hoofdzin is een zin die op zichzelf kan staan, en dus niet een niet-zelf­s­tandig deel van een grotere zin vormt.

Om een hoofdzin te mak­en heb je min­i­maal een onder­w­erp en een per­soonsvorm (werk­wo­ord) nodig.

De eerste voor­beeldzin hieron­der is een enkelvoudi­ge zin: hij heeft maar één per­soonsvorm. De bei­de vol­gende zin­nen hebben elk meer dan één per­soonsvorm en zijn dus samengestelde zin­nen.

Voorbeelden

  • Jelleke danst graag.
  • Yanou denkt dat hij de slim­ste van de klas is.
  • Omdat er een piloten­stak­ing was, werd onze vlucht gean­nuleerd.

Etymologie

Het woord zin (volzin) staat hier in een samen­stelling met hoofd:

  • hoofd (belan­gri­jste) + zin (van Oudned­er­lands sin [gedachte, geest, ver­stand])

Weetje

Met de voeg­wo­or­den en, maar, of en want kun je twee hoofdzin­nen aan elka­ar verbinden:

  • Ik ga mor­gen op vakantie en ik ben na drie weken weer terug.
  • Ik ga mor­gen op vakantie, maar ik moet mijn kof­fer nog inpakken.
  • Ga je mor­gen op vakantie of vertrek je over­mor­gen?
  • Ik heb zin in mijn vakantie want ik heb de afgelopen weken te hard gew­erkt.

Wat vind jij?