TVDW: Anafoor

De taal­term van deze week, anafoor, is een soort Jeck­yll & Hyde. Aan de ene kant heeft hij er hele­maal geen moeite mee om in her­hal­ing te vallen. Maar aan de andere kant denkt hij soms ook: weet je wat, ik zeg het deze keer gewoon heel anders.

Definitie

Een anafoor is een sti­jl­figu­ur waar­bij je steeds de woor­den aan het begin van opeen­vol­gende zin­nen (of zins­de­len) her­haalt.

Je kunt zo een keten van stellin­gen mak­en die met een rode draad aan elka­ar ver­bon­den zijn. Door de her­halin­gen kri­jgt die tekst iets muzikaals: je voelt een bepaald ritme bij het horen of lezen van de woor­den.

De term anafoor heeft daar­naast nog een andere, ook taalkundi­ge, beteke­nis. Eigen­lijk is dit dus een dubbele taal­term van de week! Daarover straks meer. Maar eerst:

Voorbeelden

  • Zon­der jou is alles in mijn lev­en killer. Zon­der jou is alles plot­sel­ing veel stiller. Zon­der jou is wat voorheen vertrouwd was, niet vertrouwd.
  • Dag huis, dag tuin, dag opbergschu­ur.

Een ander voor­beeld van het gebruik van de anafoor is te lang om hier uit te schri­jven, maar wel heel beroemd. In zijn toe­spraak in Wash­ing­ton op 28 augus­tus 1963 her­haalde de Amerikaanse mensen­recht­e­n­ac­tivist Mar­tin Luther King Jr. steeds dezelfde woor­den aan het begin van opeen­vol­gende zin­nen: I have a dream. Deze anafoor was zo suc­cesvol dat de hele rede inmid­dels bek­end staat als de “I have a dream”-speech.

Etymologie

Deze term hebben we uit het Lati­jn overgenomen, maar de bron is Grieks: anapho­ra betekent “ver­wi­jz­ing”.

  • ana (terug) + phere­in (dra­gen)

Weetje

Je las het net al: een anafoor is een sti­jl­figu­ur, maar er is nóg een taalkundi­ge beteke­nis voor dit woord. Deze is strikt gram­mat­i­caal.

Een anafoor is een ver­wi­js­wo­ord dat ref­er­eert aan iets wat al eerder in de tekst genoemd is. In de zin­nen hieron­der is hij de anafoor die ver­wi­jst naar “mijn broer” en is dat de anafoor die ver­wi­jst naar de voor­gaande zin (en dus naar het niet starten van de auto).

  • Toen mijn broer bin­nenkwam, zag ik meteen dat hij zijn schoe­nen ver­keerd om had aangetrokken.
  • Van­mor­gen wilde mijn auto niet starten. Dat is de reden dat ik te laat op kan­toor was.

Wat vind jij?