Vandaag zijn in de Verenigde Staten de midterms, de Congresverkiezingen die precies tussen twee presidentsverkiezingen in vallen. Er was weer het een en ander te doen over de zogenoemde gerrymandering – het hertekenen van kiesdistricten in het voordeel van een van de deelnemende partijen. Waar komt die term vandaan?
Eerst even de basics
“Het hertekenen van kiesdistricten”, dat klinkt zo simpel en overzichtelijk. Maar hoe zit dat precies in de context van het Amerikaanse kiesstelsel?
Wat we hier in de Lage Landen gewend zijn bij parlementsverkiezingen is het principe van: één stem is één stem. Je telt alles bij elkaar op, groepeert de stemmen per partij, en de ranglijst die daaruit rolt, bepaalt hoe de zetels worden verdeeld. Een partij die meer stemmen binnenharkt, krijgt zo ook meer zetels. Er zijn wel wat haken en ogen, maar dat is het basisidee.
In de VS gaat dat anders. Drie dingen om in de gaten te houden:
- Om te beginnen zijn er maar twee partijen die echt meetellen: de Democraten en de Republikeinen.
- Verder hanteren ze een geografisch districtenstelsel, wat betekent dat het landelijk niet de opgetelde individuele stemmen zijn die de uitslag bepalen, maar de telling op districtsniveau.
- Ten slotte is er het winner takes all principe. Per district geldt: of je partij nu 51% of 99% van de stemmen krijgt, met de meeste stemmen kun je de volledige winst claimen.
Voor elk district is er ook maar één zetel te vergeven in het Huis van Afgevaardigden (te vergelijken met onze Tweede Kamer), waarbij de meeste staten meerdere afgevaardigden naar het Huis kunnen sturen. Hoe groter de bevolking van een staat, hoe meer districten en dus hoe meer zetels ze in het Huis te verdelen hebben.
Waar dit alles op neerkomt is dat als je als partij jouw man of vrouw in het Congres wilt krijgen, het voor elk individueel district niet uitmaakt of je een overweldigende of een marginale meerderheid van de stemmen krijgt. Ook een kleine overwinning is de totale overwinning. En zo komt die indeling van de kiesdistricten weer in beeld.
Een gefabriceerde meerderheid
Stel je voor dat jouw partij in district A bij de vorige verkiezingen net geen meerderheid behaalde. Maar in het naburige district B had je partij een riante meerderheid. Dan kun je met wat politiek knip-en-plak knutselwerk een heel eind komen. Voeg een of twee gemeenten uit district B bij district A – et voilà, je riante meerderheid in B blijft behouden én je hebt een kleine meerderheid in A gefabriceerd. Ook al is het stemgedrag identiek, bij deze nieuwe verkiezingen kan jouw partij een extra Congreszetel naar zich toe trekken.
Is dat eerlijk tegenover de kiezer? Hm. Mag het? Meestal wel.
Kijk maar naar het voorbeeld hieronder. In beide gevallen zijn er meer blauwe dan rode kiezers, maar afhankelijk van de indeling van de vakken (lees: kiesdistricten) is de uitslag heel anders.

Who’s Gerry?
Zulk knutselwerk met kiesdistricten – dat is gerrymandering. Beide partijen doen het en het bestaat al langer dan je misschien denkt. Maar waar komt die naam vandaan?
De Gerry in gerrymandering heeft echt bestaan. Dat was Elbridge Gerry (1744–1814), een van de Amerikaanse Founding Fathers. Toen hij gouverneur was van de staat Massachusetts, van 1810 tot 1812, werd er ook al driftig geknutseld aan de kiesdistricten. (Let op: de Verenigde Staten waren toen als land nog niet eens 40 jaar oud, dus deze praktijken gaan echt terug tot het prille begin.) Gerry zelf was daar geen fan van, maar hij keurde toch een herindeling goed die voor zijn eigen Democratic-Republican Party in de Senaat van Massachusetts gunstig zou kunnen uitpakken. Hun politieke tegenstanders waren trouwens van de Federalist Party.
Een van de opnieuw ingetekende districten, voor het district South Essex, had een malle, langwerpige, wat slingerende vorm op de kaart. Toen de redactie van de Boston Gazette daar lucht van kreeg en iemand opmerkte dat het nieuwe district wel wat weg had van een salamander, publiceerde de krant al snel een spotprent met de titel “The Gerry-Mander”, waarop het district South Essex afgebeeld staat als een onooglijk, draakachtig wezen.

Het woord gerrymander is dus een porte-manteauwoord, een combinatie van de achternaam Gerry en het woord salamander. Het werd direct opgepakt in de pers en stond enkele decennia later al in woordenboeken.
Ditjes en datjes
Ten slotte nog twee weetjes om dit taalverhaal af te ronden:
De achternaam Gerry spreek je uit met een harde Engelse g zoals in get of guitar. De oorspronkelijke uitspraak van gerrymander had dus ook die harde g. Maar gaandeweg is dat veranderd in een zachte Engelse g zoals in gentle of ginger (mogelijk onder invloed van de voornaam Jerry).
De Democratic-Republican Party en de Federalist Party uit de vroege 19e eeuw zijn geen een-op-een voorlopers van de huidige Republikeinse en Democratische partijen in de VS. Organisatorisch zijn de Democraten voortgekomen uit de Democratic-Republican Party, maar qua beleid en ideologie is de overlap beperkt. De Federalist Party was geen lang leven meer beschoren en speelde vanaf de jaren 1820 al geen rol van belang meer in de landelijke politiek. De Republikeinse partij is pas opgericht in 1854, dus ruim nadat gerrymandering al aan zijn opmars was begonnen.

Geef een reactie