Taalterm: Vertelperspectief

De taal­term van deze week, vertelper­spec­tief, zal je niet snel op je woord geloven. Eerst wil hij weten wie je bent, wat je weet, hoe je het weet, en of je echt wel zelf hebt meege­maakt waar je over vertelt. Hij wil immers zek­er weten wie hij voor zich heeft.

Definitie

Het vertelper­spec­tief van een ver­haal is het gezicht­spunt van waaruit het ver­haal verteld wordt.

Je kunt hier­voor ook de woor­den vertelin­stantie of sim­pel­weg verteller tegenkomen.

Voorbeelden

Er zijn veel ver­schil­lende soorten vertelper­spec­tief, en het onder­scheid daar­tussen is ook nog eens niet zwart-wit. Vaak is het een kwest­ie van gra­datie. Maar grofweg kun je wel een aan­tal bepal­ende fac­toren aanwijzen.

Verderop gaan we hier uit­ge­breid op in, maar eerst even de korte versie:

  • Je kunt een ver­haal vertellen in de eerste, tweede of derde per­soon. Oftewel: in de ik-vorm, jij-vorm of hij/z­ij-vorm.
  • Een ver­haal kan verteld wor­den door een alwe­tende verteller of een per­son­ele verteller. Oftewel: staat de schri­jver buiten het ver­haal en kan hij alles overzien, of zit zijn per­spec­tief in het ver­haal omdat hij zelf een van de per­son­ages is?
  • Het per­spec­tief van waaruit het ver­haal verteld wordt kan sub­jec­tief of objec­tief zijn. Oftewel: beleef je de gebeurtenis­sen via de ideeën en emoties van een of meer per­son­ages, of wordt het verteld door een neu­trale of zelfs anon­ieme buitenstaander?

Je kunt deze dimen­sies in ver­schil­lende com­bi­naties samen­bren­gen. Een ver­haal kan bijvoor­beeld verteld wor­den door een alwe­tende eerste per­soon, maar ook vanu­it een alwe­tend hij/z­ij-per­spec­tief.

Toch zijn som­mige com­bi­naties nogal prob­lema­tisch. Probeer je maar eens een ver­haal voor te stellen vanu­it een objec­tief per­spec­tief, maar wel in de ik-vorm. Dat is zowat onmo­gelijk: zodra je door de ogen van de ik-per­soon kijkt, is het al subjectief.

Etymologie

De woor­den vertelper­spec­tief en vertelin­stantie leggen zichzelf bei­de uit. Het is het antwo­ord op de vraag “Door wiens ogen zien we de gebeurtenis­sen?” of “Wie is de verteller van dit verhaal?”.

In bei­de gevallen gaan we ervan uit dat een tekst niet zomaar uit het niets ontstaat. En dat roept dus vra­gen op over de oor­sprong van de tekst: wie heeft wat wan­neer opgeschreven, en hoe en waarom? Het vertelper­spec­tief hangt af van het antwo­ord op die vragen.

Verdieping

Lat­en we nog even in meer detail naar de ver­schil­lende vertelper­spec­tieven kijken. We pakken ze een voor een bij de horens, in dezelfde indel­ing als hier­boven. Bij elke vorm staat een korte voor­beeldtekst ter verduidelijking.

Eerste, tweede of derde persoon

Om te begin­nen kun je een ver­haal vertellen vanu­it de eerstetweede of derde per­soon.

Een ver­haal in de eerste per­soon zal meestal vanu­it het ik-per­spec­tief verteld wor­den. Daar­bij zie je de gebeurtenis­sen door de ogen van de verteller. Je kunt ook een ver­haal vanu­it een wij-per­spec­tief vertellen, maar dat is min­der gebruikelijk.

  • Toen moed­er me vroeg om koek­jes naar oma te bren­gen, trok ik meteen mijn rode man­tel aan. Ik ben dol op wan­delin­gen in het bos!

Als je een ver­haal in de tweede per­soon vertelt, kri­jg je een jij-per­spec­tief of een jul­lie-per­spec­tief. (Dit kan natu­urlijk ook in de u‑vorm.) Dan zet je de lez­er in de stoel van degene tot wie de verteller zich richt. Dit per­spec­tief komt veel min­der vaak voor dan de eerste of derde persoon.

  • Toen moed­er je vroeg om koek­jes naar oma te bren­gen, trok je meteen je rode man­tel aan. Je bent dol op wan­delin­gen in het bos!

En in de derde per­soon, ten slotte, kri­jgt je het ver­haal voorgeschoteld vanu­it een hij/z­ij-per­spec­tief. Je staat dan als lez­er buiten de vertelling en bek­ijkt de gebeurtenis­sen vanaf een afstand.

  • Toen moed­er aan Rood­kap­je vroeg om koek­jes naar oma te bren­gen, trok het meis­je meteen haar rode man­tel aan. Ze was dol op wan­delin­gen in het bos!

In veel ver­halen vind je een afwis­sel­ing van ver­schil­lende per­spec­tieven. Een ver­haal met hij/z­ij-per­spec­tief kan bijvoor­beeld een monoloog van één per­son­age bevat­ten die weer in de ik-vorm is. Of een boek kan van het ene naar het andere hoofd­stuk over­sprin­gen tussen twee ver­schil­lende vertellers die elk in hun eigen ik-per­spec­tief spreken.

Alwetend of beperkt

Een tweede onder­scheid is tussen een alwe­tend per­spec­tief (ook: auc­to­ri­aal of auc­to­rieel) en een beperkt per­spec­tief(ook: per­son­aal of per­son­eel).

Bij een alwe­tende vertelin­stantie staat de verteller als het ware “boven” het ver­haal: hij is nadrukke­lijk de auteur(van­daar: auc­to­ri­aal) die de tekst heeft geschreven. Hij kan in de hoof­den van alle per­son­ages kijken en weet hoe alles afloopt. De verteller kan er dan ook bewust voor kiezen (soms ook expli­ci­et) om bepaalde details juist wel of niet (of eerder of lat­er) te onthullen.

  • Moed­er vroeg, zoals elke zater­dag, aan Rood­kap­je om koek­jes naar oma te bren­gen, en het lieve kind trok meteen haar favori­ete rode man­tel aan. Maar geen van bei­den wis­ten ze welk gevaar er op de loer lag in het donkere bos! Op datzelfde moment was de Boze Wolf al snode plan­nen aan het smeden.

Vergelijk dat met een beperkt per­spec­tief, waar­bij het ver­haal als het ware geankerd is aan een per­son­age (van­daar: per­son­eel). Je beleeft als lez­er dan het ver­haal met de ken­nis van alleen die ene per­soon, en moet gis­sen naar wat er in de hoof­den van de andere karak­ters omgaat – én naar wat er lat­er gaat gebeuren, want dat weet de hoofd­per­soon immers ook niet.

  • Moed­er keek in de spiegel en zuchtte. Die donkere wallen onder haar ogen ver­raad­den meteen hoe moe ze was. Er was ook zoveel te doen in huis, sinds haar man was overleden! Gelukkig kon haar dochter, Rood­kap­je, elke zater­dag koek­jes naar oma bren­gen. Moed­er had de laat­ste tijd wel ver­halen geho­ord over een wild beest in het bos – maar, dacht ze, die dor­pelin­gen over­dreven alti­jd. Als Rood­kap­je gewoon het rechte pad vol­gde, zou er vast niets gebeuren.

Let op! Deze bei­de voor­beelden staan in de derde per­soon (zie hier­boven). Probeer maar eens om ze bei­de als de moed­er in de eerste per­soon (ik-per­spec­tief) te zetten. (Dus: Ik vroeg, zoals elke zater­dag…)

Je voelt dan meteen een ver­schil: in de auc­to­ri­ale ver­sie moet het ver­haal wel hele­maal achter­af door de moed­er zijn opgeschreven, want ze weet al wat er lat­er gaat gebeuren. In de per­son­ele ver­sie is dat niet zo: de verteller zit zelf nog mid­den in het verhaal.

Subjectief of objectief

Een derde ver­schil is tussen ver­halen die verteld wor­den mét ken­nis (sub­jec­tief) of zón­der ken­nis (objec­tief) van wat er in de hoof­den van de ver­haalper­son­ages omgaat.

Kiest de schri­jver voor een sub­jec­tief vertelper­spec­tief, dan ervaar je als lez­er de gebeurtenis­sen met het gevoel van een of meer per­son­ages in het ver­haal. Je ziet de ver­wik­kelin­gen door de lens van hun gedacht­en, gevoe­lens en menin­gen, alsof je in hun hoofd meekijkt.

  • De jager zat in het bos zijn mes te sli­jpen. De vogels waren stil vanocht­end, dacht hij, miss­chien is er een beer of een vos in de buurt. Hij hoorde voet­stap­pen achter zich, maar het bleek dat malle meis­je Rood­kap­je te zijn. 

    “Goede­mor­gen!” zei Rood­kap­je een beet­je bedrem­meld. Zij vond dat de jager alti­jd zo nors en onvrien­delijk keek. “Ik ben op weg naar oma.”


    “Ga niet van het pad af, meiske,” bromde de jager, “er sluipt iets duis­ters door het woud. Snel verder nu!” De jager zuchtte ter­wi­jl hij Rood­kap­je weg zag hup­pe­len. Hm, dacht hij, ik heb het gevoel dat ik die van­daag nog eens zal tegenkomen.

Bij een objec­tief per­spec­tief is het juist ander­som: je kri­jgt géén inkijk­je in de men­tale wereld van de per­son­ages, maar bek­ijkt alles als een buiten­staan­der. Als lez­er moet je dan zelf de gedacht­en en gevoe­lens van de karak­ters invullen.

  • De jager zat in het bos zijn mes te sli­jpen. De vogels waren stil, zoals wan­neer er een beer of een vos in de buurt is. De jager hoorde de voet­stap­pen van Rood­kap­je achter zich. 

    “Goede­mor­gen!” zei Rood­kap­je. “Ik ben op weg naar oma.”

    “Ga niet van het pad af, meiske,” zei de jager, “er sluipt iets duis­ters door het woud. Snel verder nu!” Rood­kap­je ver­vol­gde haar weg door het bos. De jager maak­te zich klaar voor de rest van de dag.

Zie je hoe deze tweede ver­sie een beet­je bloede­loos en ontzield aan­voelt? Bij een sprook­je werkt zo’n objec­tief per­spec­tief niet echt lekker. Maar denk aan een jour­nal­istiek, juridisch of weten­schap­pelijk ver­haal – daar kan het juist per­fect op zijn plaats zijn.

Weetje

Zelfs bin­nen één vertelper­spec­tief kun je nog meer keuzes mak­en, bijvoor­beeld in welke gram­mat­i­cale tijd je een ver­haal vertelt. 

In de tegen­wo­ordi­ge tijd kri­j­gen de gebeurtenis­sen iets onmid­del­lijks en jour­nal­istieks, alsof je erbij bent ter­wi­jl het gebeurt. Maar in de verleden tijd heb je wat meer afs­tand en is het ver­haal meer beschouwend. Kies je voor een voltooide tijd, dan schep je nog meer afs­tand (in de tijd) tussen het gebeurde en de vertelling zelf.

Kijk maar:

  • Karel loopt vast­ber­aden op de voordeur af, maar met zijn vinger op de bel houdt hij zich toch in. Durft hij dit wel? Hij kan het beeld van zijn vrouw en haar min­naar niet uit zijn hoofd kri­j­gen. Wat als hij zich vergist…?
  • Karel liep vast­ber­aden op de voordeur af, maar met zijn vinger op de bel hield hij zich toch in. Durfde hij dit wel? Hij kon het beeld van zijn vrouw en haar min­naar niet uit zijn hoofd kri­j­gen. Wat als hij zich vergiste…?
  • Karel was vast­ber­aden op de voordeur afgelopen, maar met zijn vinger op de bel had hij zich toch inge­houden. Durfde hij dit wel? Hij had het beeld van zijn vrouw en haar min­naar niet uit zijn hoofd kun­nen kri­j­gen. Wat als hij zich had vergist…?

Deze stuk­jes staan alle­maal in de derde per­soon, beperkt, sub­jec­tief. Maar door de andere gram­mat­i­cale tijd kri­j­gen ze elk een eigen invulling.

Wat vind jij?