Less vs. fewer

In het ene glas kan min­der melk zit­ten dan in het andere. En bij het ene feestje kun­nen min­der mensen aan­wezig zijn dan bij het andere. Maar die ene min­der is de andere niet. In het Ned­er­lands zie je dat ver­schil niet echt – maar in het Engels wel!

Waar hebben we het over?

Het Ned­er­landse bijvoeglijk naam­wo­ord min­der heeft in het Engels twee ver­talin­gen: less en few­er. Je kunt dus niet op je Hol­landse taal­in­tuïtie varen, en je zult alti­jd even moeten nadenken.

Betekenis en gebruik

  • Je gebruiktless bij zelf­s­tandig woor­den die ontel­baar zijn. Dan heb je het over din­gen waar je wel een hoeveel­heid maar geen aan­tal aan kunt kop­pe­len, zoals rijst of aan­dacht.
  • Je kiestfew­er bij zelf­s­tandig woor­den die wél tel­baar zijn. Daar kun je er dus twee of hon­derd of zestien van hebben, zoals bij mens, auto en kind.

Voorbeelden

  • There is less can­dy in the new packaging.
  • There are few­er mints in the new packaging.
  • We made less mon­ey than we thought we would.
  • We had few­er prob­lems than we thought we would.

Even opletten

Het antoniem van min­der is meer. In het Engels is er daar maar één woord voor: more. Dat is dus het tegen­overgestelde van less én few­er.

Weetje

Min­der kan ook een bij­wo­ord zijn. Dan zegt het niet iets over een zelf­s­tandig naam­wo­ord, maar juist over een werk­wo­ord of bijvoeglijk naam­wo­ord. Denk aan: “min­der werken” of “min­der mooi”. In dat geval kies je alti­jd voor less.

Kijk maar: I’d like to work less, en This paint­ing is less beau­ti­ful than that one.

Wat vind jij?