Dichtbij vs. dicht bij

De woor­den dicht en bij kun je aan elka­ar plakken om zo dicht­bij te mak­en. Maar soms zie je ze ook direct achter elka­ar staan met een spatie ertussen: dicht bij. Bei­de spellin­gen – met en zon­der spatie – komen in het Ned­er­lands voor en zijn cor­rect; je gebruikt ze alleen in andere gevallen. Wat is het ver­schil en hoe houd je ze uit elka­ar?

Waar hebben we het over?

Soms groeien twee woor­den aan elka­ar vast en vor­men ze zo één nieuw woord waar­van het gebruik sub­tiel ver­schilt van de com­bi­natie van de twee losse woor­den.

Betekenis en gebruik

  • Dicht­bij is een bij­wo­ord van plaats.
  • Dicht bij is een com­bi­natie van dicht (ook een bij­wo­ord van plaats) en het voorzetsel bij

Bei­de ter­men zeggen iets over een locatie, namelijk dat die niet ver weg is. Dicht­bij wijst daar­bij de plaats zelf aan; en dicht bij geeft de afs­tand tot die plaats aan.

Voorbeelden

  • We kun­nen lopen, want het restau­rant is dicht­bij.
  • Ons hotel is gun­stig gele­gen. Dicht­bij zijn er veel uit­gaans­mo­gelijkhe­den.
  • Mar­cel woont dicht bij het tre­in­sta­tion.
  • We zijn dicht bij de eind­streep. Hou nog even vol!

In de eerste twee zin­nen zie je dat dicht­bij in zijn een­t­je een plaats­bepal­ing vormt. Je kunt hier dan ook dicht­bij ver­van­gen door het woord daar. Bij de andere voor­beelden kan dat niet.

Je ziet bij de laat­ste twee zin­nen dat het woord bij meer een een­heid vormt met de woor­den die erop vol­gen (“bij het tre­in­sta­tion”; “bij de eind­streep”) dan met het woord dicht dat ervoor staat. Je kunt in deze zin­nen zelfs het woord dicht weglat­en.

Even opletten

Het­zelfde onder­scheid geldt ook voor twee ver­wante vor­men, namelijk de ver­gro­tende en overtr­e­f­fende trap. We hebben het dan over dichter­bij / dichter bij en dicht­st­bij / dichtst bij.

Weetje

Je kunt dit ver­schil makke­lijk onthouden door te kijken naar een vergelijk­bare term: in de buurt.

Dicht­bij betekent min of meer het­zelfde als “in de buurt”. En dicht bij (mét los voorzetsel) betekent min of meer het­zelfde als “in de buurt van” (óók met voorzetsel).

Probeer het maar eens uit op de vier voor­beeldzin­nen hier­boven!

Wat vind jij?