Eén cappuccino voor de monnik

Op een mooie zomerdag zit­ten vier vrien­den op een ter­ras­je. Ze bestellen wat te drinken: de eerste bestelt een cola, de tweede gaat alvast aan de Sauvi­gnon Blanc, de derde kiest voor een kop­je verse munt­thee; en num­mer vier bestelt een cap­puc­ci­no met twee suik­er. Zo’n scène kun je je zon­der al te veel moeite voor de geest halen.

Die eerste drie vrien­den zijn voor dit taalver­haal niet bij­zon­der interes­sant, maar de vierde wel. Die heeft namelijk een “kop­je koffie met hete, gestoomde en daar­door bruisende melk en cacaopoed­er” voor zich, zoals de dikke Van Dale cap­puc­ci­no omschri­jft. Wat heeft dat nou te mak­en met, oh ik zeg maar wat… erwten en hoofd­dek­sels, laat staan mon­niken en apen? Meer dan je denkt.

Zoon van een koopman

Het begint alle­maal in Ital­ië, in de stad Assisi, rond het jaar 1182. Daar werd de lat­ere Sint Fran­cis­cus geboren als zoon van een wel­varend koop­man. Op zijn 22ste bekeerde hij zich tot het chris­ten­dom. In 1209 begon hij te prediken en kreeg hij van de paus toestem­ming om een religieuze orde op te richt­en: de Orde der Fran­cis­ca­nen. De leer van Fran­cis­cus benadrukt een een­voudig en vri­jgevig lev­en met veel aan­dacht voor de natu­ur. De Fran­cis­ca­nen zijn geen doem­denkers; ze staan een vreugde­volle omarm­ing van het geloof voor.

De Paus keurt de statuten van de Orde der Franciscanen goed (Giotto, 1295–1300)
De Paus keurt de statuten van de Orde der Fran­cis­ca­nen goed (Giot­to, 1295–1300)

In 1529 split­ste zich een groep mon­niken af van de Fran­cis­caner orde. Ze leef­den streng en sober, liepen blootsvoets en kleed­den zich in bru­ine habi­jten met kleine, puntige kap­pen. Het Ital­i­aanse woord voor “kap” is cap­pa, en een mon­nikskap wordt een cap­puc­cio genoemd – en een kleine cap­puc­cio is een cap­puc­ci­no. Deze nieuwe mon­niken wer­den en wor­den dan ook “kapu­ci­j­nen” genoemd.

Titus in monniksdracht (Rembrandt, 1660)
Titus in mon­niks­dracht (Rem­brandt, 1660)

Kapucijn, capuchon…

Deze mon­nikskledij-met-kleine-kap leende zijn naam ver­vol­gens aan een modieus kap­je – vaak met cape of man­tel – dat hoorde bij een chique vrouwen­garder­obe: de capu­chon. Daar­van­daan is het woord verder ver­bas­terd tot het onooglijke plas­tic mut­sje waar je op rege­nachtige dagen oma’s en kleine kinderen mee ziet rond­lopen.

Een capuchon met cape uit de jaren vijftig (foto Henry Clarke)
Een capu­chon met cape uit de jaren vijftig (foto Hen­ry Clarke)

Inmid­dels heb je zo al de mon­nik en het hoofd­deksel gevon­den. We mis­sen nog de apen, de erwten en ten slotte natu­urlijk de koffie.

… capucinus, kapucijner, cappuccino

Om met de laat­ste maar te begin­nen: de Cebus capuci­nus is een heel actief, breed­neuzig Zuid-Amerikaans aap­je dat zijn tijd vooral door­brengt in de top­pen van bomen. Ze lev­en in groepen en voe­den zich voor­namelijk met fruit en kleine dieren. Door de teken­ing van de vacht op hun kop lijkt het alsof ze een kleine mon­nikskap op hebben; in de volksmond heet het beestje dan ook een kapu­ci­j­naap of kapu­ci­jn­er­aap.

Aapje monnikskapje
Aap­je mon­nikskap­je

Dan komen we weer terug bij de mon­niken, of eigen­lijk bij de bru­ine kleur van hun mon­nikskap­pen. De akker­erwt (ook bek­end als veld­erwt) wordt bij het koken hele­maal bru­in van kleur, en wordt dan ook wel een kapu­ci­jn­er genoemd.

En dan ein­delijk… wat is de kleur van een kop­je koffie met hete, gestoomde en daar­door bruisende melk en cacaopoed­er? Juist: bru­in. Lat­en we dat brouwsel dan ook maar een kop­je “cap­puc­ci­no” noe­men.

Monnikskapkleurtje
Mon­nikskap­kleurt­je

Zo zie je maar… de mon­niken van de Fran­cis­caner Kapu­ci­j­nen in hun bru­ine habi­jten, de capu­chon op je hoofd, het kapu­ci­jn­er­aap­je met zijn “kap­je”, de bru­ine kapu­ci­jner­erwt én dat kop­je cap­puc­ci­no met twee suik­er op een zon­nig ter­ras – ze zijn alle­maal fam­i­lie van elka­ar.

En dan hebben we het er nog niet eens over dat een “kapu­ci­jn” ook al een bru­in soort meikev­er is, en een soort duif met dikke kop- en halsv­eren. Het houdt niet op! Waar een nieuwe kloos­t­erorde al niet goed voor is… Als ze dat eens geweten had­den in 1529.

Wat vind jij?