Aalmoes

Ik was net met mijn kin­de­ren naar de bios­coop geweest, en we baan­den ons gedrieën een weg door de kou heen, terug naar de auto. Druk pra­tende over hoe leuk de film was, pas­seer­den we een dak­loze die bij de ingang van een par­keer­ga­rage stond te bedelen.

Pablo Picasso: “De oude bedelaar”

Hoe cru het ook klinkt, voor mijn vol­was­sen ogen hoorde deze vrouw – de zoveel­ste bede­laar – min of meer bij het straat­beeld. Maar mijn jong­ste (9) dacht daar anders over. Hij hield me tegen en zei, “Papa, moe­ten we die mevrouw niet iets geven?”

Onmiddellijk wist ik: mijn zoon is een betere moham­me­daan dan ik. Het doet er niet toe of je, zoals ik, huma­nist bent, een andere levens­over­tui­ging of geloof aan­hangt, of een mos­lim bent wiens geloof hem opdraagt altijd iets aan een behoef­tige te geven. Mijn kind had gelijk. Ik had die vrouw iets moe­ten geven.

Ik ant­woordde naar waar­heid dat ik geen munt­geld bij me had. Mijn zoon zei, “Maar ik wel” en liep terug en gaf de vrouw zijn muntje van twee euro. Ze keek hem even aan en ik hoorde haar zeg­gen, “God bless you.” Brok in mij keel.

Later heb ik nage­zocht hoe het ook alweer zat. Een van de vijf pij­lers van de islam is de zakat, de ver­plich­ting om een vast deel van je inkom­sten te schen­ken aan de armen. Een ver­want begrip is de sadaqah, die de mos­lim oproept om ook vrij­wil­lig aan lief­da­dig­heid te doen – uit mede­do­gen, liefde of vriendschap.

In het Jodendom is er een soort­ge­lijk idee, de tze­daka. (Zie je de gelij­ke­nis in de naam?) Ook dat is een door god voor­ge­schre­ven reli­gi­euze plicht; het is een gebod (mitswa) voor elke jood. En hoe­wel het chris­ten­dom min­der expli­ciet is in zijn voor­schrif­ten, wordt het geven van aal­moe­zen ook daar aangemoedigd.

Kleine ter­zijde: deze reli­gi­euze ver­sies van lief­da­dig­heid zijn iet­wat ambi­va­lent. Met je aal­moe­zen ver­zacht je name­lijk de toorn van god en koop je (deels) je eigen zon­den af. En daar­mee dien je dus toch weer je eigen­be­lang. Hm.

Maar als we dat even laten voor wat het is, kom je als­nog uit op een uni­ver­seel prin­cipe. In een beschaafde samen­le­ving heb­ben dege­nen die het goed heb­ben een morele plicht om iets bij te dra­gen aan het wel­zijn van die­ge­nen die het min­der heb­ben. Dat is een keuze die je maakt – als mens, als maat­schap­pij, als cul­tuur. Je spreekt met elkaar af: wij zijn geen barbaren.

Dat is een ethi­sche stel­ling­name. En mis­schien is dat wel de belang­rijk­ste soort taal die er is. Van heel groot (codi­fi­ce­ring in hei­lige boe­ken) tot heel klein (die paar woor­den die de bedel­vrouw tegen mijn zoon sprak). Het zijn de woor­den die weer­spie­ge­len wat het bete­kent om een recht­scha­pen mens te zijn. Voortaan houd ik altijd wat klein­geld op zak.

 

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

op zoek naar iets anders?