Hij deed het

Hoe het kan dat het me nog niet was opgevallen, weet ik niet. Er wordt immers genoeg geschreven over al die alleenstaande Nederlanders die driftig op het internet pogingen wagen om een maatje te vinden voor hun bed, hun vrije tijd, of zelfs hun leven. Online dating is razend populair.

Er zijn risico's...
Er zijn risico’s…

Maar het werkwoord dat daarbij hoort, daten, verdient dezelfde lelijkheidsprijs als bijvoorbeeld uploaden en deleten. Kijk maar.

Het begint in de eerste persoon nog vrij onschuldig. Enkelvoud: Ik date geregeld online. (Spreek uit: “deet”.) Meervoud: Wij daten anders nooit online. (Spreek uit: “deten”.) Dat ziet er nog normaal uit.

Lees verder Hij deed het

Appels en peren

Het Nederlands heeft – meer dan bijvoorbeeld het Engels – de ambitie om een soort waterdicht, gesloten systeem te zijn. Een taalbolwerk waarin alles in consequente regels is gevat en waarin, daar waar er toch uitzonderingen zijn, er ook weer regels voor die uitzonderingen zijn, en daar waar er daarop weer uitzonderingen zijn… Nou ja, je snapt het wel.

Dat leidt, met name waar het de spelling betreft, soms tot de meest wonderlijke constructies. (Ik vermijd hier maar even het woord gedrocht…) En het leidt ook tot voortdurende vragen over hoe je een bepaald woord nou wel of niet hoort te schrijven. Een van de hardnekkigste (of op zijn minst: heetst bevochten) spellingsonzekerheden is die rond het woordje dat de A in CDA brengt: appel. Of appèl, ja, daar draait het nou net om. Wat is goed?

Met of zonder accent?
Met of zonder accent?

Lees verder Appels en peren