Taalterm van de week: Majuskel

De taal­term van deze week, majuskel, is geen opdon­dert­je. Sterk­er nog, hij hoort beslist bij de grote jon­gens. Hij staat graag vooraan in de rij, maar komt ook graag kijken als er naam­bor­d­jes opge­speld moeten worden.

Definitie

Een majuskel is een hoofdlet­ter in een oude (handgeschreven) tekst.

In bredere zin kan majuskel ook ver­wi­jzen naar hoofdlet­ters in het alge­meen. De tegen­hang­er van de majuskel is de minuskel: de kleine letter.

In plaats van majuskel en grote let­ter of hoofdlet­ter kun je ook de term kap­i­taal tegenkomen.

Bij de meeste schriften en let­ter­types is het ken­merk­end voor majuskels dat ze alle­maal dezelfde let­ter­hoogte hebben. Bij kleine let­ters is dat niet het geval.

In de oud­heid wer­den tek­sten hele­maal in majuskels geschreven. De heden­daagse spelling gebruikt majuskels vooral aan het begin van een zin en bij namen (bijvoor­beeld van per­so­n­en of geografis­che plaatsen).

Voorbeelden

  • DEZE ZIN IS HELEMAAL IN MAJUSKELS GESCHREVEN.
  • In deze zin is alleen de eerste let­ter een majuskel.

Etymologie

We hebben dit woord in de 19e eeuw geleend van het Franse majus­cule. De bron daar­van ligt uitein­delijk weer in het Latijn:

  • maius­cu­la lit­tera (grotere letter)

Weetje

Trouwe lez­ers zullen zich de majuskel miss­chien nog herin­neren uit een eerder artikel, waarin ook Karel de Grote (742−814) nog ten tonele komt: “Met dank aan Karel”.

Wat vind jij?