Klerekleren

Stel je voor: je bent in Mia­mi, zoals ik twee weken gele­den. Je staat in een chique depart­ment store te ape­gapen naar alle modieuze kledij die daar te koop is. En dan, bij de dameskled­ing, moet je ineens aan wc-papi­er denken…

Het menselijk brein is een won­der­lijk ding. Want ik moest hele­maal niet zelf naar de restroom, en toi­let­pa­pi­er stond ook niet op mijn bood­schap­pen­li­jst­je. Nee, ik moest eraan denken dat ik ooit gelezen had over een Scan­di­navis­che pro­du­cent die op de Britse markt een nieuw merk wc-papi­er wilde lanceren. Daar is niks mis mee, natu­urlijk, maar als je dan kiest voor de pro­duct­naam “Krap” – tja, dan sla je de bips, par­don: plank toch wel mis.

Dat is zo ongeveer alsof IKEA, dat de won­der­lijk­ste pro­duct­na­men hanteert, in Ned­er­land een wc-bors­tel zou verkopen die “Strönt” heette. Zie dan je giechel­spieren maar in bed­wang te houden.

Lees verder Klerek­leren

Smakelijk eten

Het menselijk brein is een won­der­lijk ding. En de manier waarop wij taal ervaren al even­zeer…

Miss­chien was het dat ik van kleins af aan al Spaans gespro­ken heb, en mijn brein dus tot op zek­er hoogte “voorge­pro­gram­meerd” is. Miss­chien was het dat ik net de dag ervoor een Spaanse film gezien had. Miss­chien was het dat ik, na een peri­ode van ziek­te en lus­teloosheid, de smaak van het koken weer te pakken had. Hoe dan ook, toen ik in een flits rechts­boven op de kran­ten­pag­i­na dat woord zag staan, had ik er meteen zin in: ram­pe­cho.

Ik zag mezelf al hele­maal zit­ten, in een tapas­bar of zo. Glaas­je Iberische wijn erbij, en luchtig tegen de ober: “Doet u mij maar wat albóndi­gas, een beet­je gaz­pa­cho, een paar sneet­jes jamón ser­ra­no, en een por­tie ram­pe­cho.” Wat dat laat­ste was, daar had ik geen flauw idee van, maar het zou vast en zek­er lekker zijn.

Gazpacho met rampecho?
Gaz­pa­cho met pam­pe­cho?

Lees verder Smake­lijk eten

Sukkel

Het was een week­je gele­den, op tv. Ik zag de door ons allen zo innig beminde bek­end­ste Vlaamse Bek­ende Ned­er­lan­der, Goedele Liekens. Geïn­ter­viewd door ik weet niet wie over ik weet niet wat. Ze sprak (natu­urlijk) over seks, relaties, man­nen en vrouwen.

En ineens was daar dat woord: onnoze­laar. Ik herin­ner me oprecht niet meer wie er een­t­je was (een man, geloof ik), of waar, of onder wat voor omstandighe­den. Maar dat doet er ook niet toe. Dat ene woord­je, dat maakt alles goed. Onnoze­laar.

Goedele is geen onnozelaar
Goedele is geen onnoze­laar

Als Hol­landse onbek­ende Ned­er­lan­der zou je eerder "sukkel" zeggen, of "idioot". Maar bij een sukkel of een idioot denk je al snel: na-na-nana-na... het is zijn eigen schuld. Ter­wi­jl onnoze­laar iets onschuldigs heeft; je vergeeft het hem graag dat hij onnozel is. En dat klopt ook wel met de ety­molo­gie van het woord.

Vol­gens de illus­tere Van Dale stamt onnozel uit de der­tiende eeuw en is het een com­bi­natie van het ontken­nende on- en het Mid­delned­er­landse woord nosen, wat "schade toe­bren­gen" betekent. Iemand die onnozel is is dus onschadelijk, onschuldig.

Het woor­den­boek zegt dat onnozel­ing ook nog bestaat, maar doe mij maar het woord van Goedele. Of zeg ik daar Onschuldige Ned­er­lan­der iets heel nozels mee...?