Goochelen

Gis­teren stond op de voor­pag­i­na van het NRC het bericht dat "Even googlen kost even­veel energie als kop thee". Dat is een belang­wekkend feit en natu­urlijk machtig inter­es­sant: ik weet nu dat, als ik een kop thee zou drinken in plaats van elke Google-zoekop­dracht die ik uitvo­er, ik een blaas zou moeten hebben zo groot als de Vinkeveense plassen.

Maar waar mijn aan­dacht veel meer naar­toe trok was dat ene woord­je, googlen. Ergens klopte dat niet, voor mijn gevoel. Met een Angel­sak­sis­che taalpet op zou ik eerder zeggen: dat moet Googlen zijn, met hoofdlet­ter. Google is immers een merk­naam. Maar Hol­lan­ders hebben het niet zo op hoofdlet­ters (van­daar ook apk en freudi­aans en mediter­raan), dus die kleine g neem ik voor lief. Dan rest nog de vraag: waarom googlen en niet googe­len?

Lees verder Gooche­len

Met een boog om de pijl heen

Taal is een won­der­lijk ding. Gespro­ken taal is in wezen niets anders dan een in kleine priegelk­lankjes gecod­i­ficeerde weer­gave van het lev­en, van de wereld om ons heen. En geschreven taal, dat ver­geten we nog wel eens, is op zijn beurt niets anders dan een in kleine priegelvorm­p­jes gecod­i­ficeerde weer­gave van gespro­ken taal.

De eerste roman?
De eerste roman?

Die eerste cod­i­fi­catie – van ervar­ing naar woor­den – kan alleen werken bij de gratie van rel­e­vantie. Bijvoor­beeld: in de veer­tiende eeuw bestond in geen enkele Europese taal een woord voor tabak, sim­pel­weg omdat de tabak­s­plant nog onont­dekt (door Euro­pea­nen) groei­de op een heel ander con­ti­nent. Het heeft geen zin om een woord te hebben voor choco­la als er geen choco­la is in je belev­ing van de wereld (de cacao­boon, immers, groei­de ook al op dat andere onbereis­de wereld­deel).

De rel­e­vantie van de tweede cod­i­fi­catie – van gespro­ken woord naar schrift – werkt anders, die kri­jg je min of meer cadeau: je gaat per slot van reken­ing pas een schri­jfwi­jze voor een woord verzin­nen als dat woord al bestaat.

Lees verder Met een boog om de pijl heen

Wijnglas

Het rumo­er rond de laat­ste twee, ingri­jpende, herzienin­gen van de spelling van het Ned­er­lands – in 1995 en 2005 – is inmid­dels wel een beet­je gaan liggen. Het doet niet echt pijn meer dat een pan­nenkoek een pan­nenkoek is en dat een kat­te­bel­let­je en een kat­ten­bel­let­je twee ver­schil­lende din­gen zijn.

Een kattenbelletje
Een kat­ten­bel­let­je

Er valt intussen nog best wat af te din­gen op hoe “inge­burg­erd” de nieuwe spellingsregels zijn, maar dat is iets voor een ander stuk­je. Hier gaat het over het feit dat veel meer ter­men dan vroeger nu aaneengeschreven wor­den, zon­der streep­jes of spaties. En dan wil ik spec­i­fiek kijken naar com­bi­naties van een bijvoeglijk naam­wo­ord of tel­wo­ord + zelf­s­tandig naam­wo­ord + zelf­s­tandig naam­wo­ord. Die schri­jf je namelijk aan elka­ar, als één woord.

Ik heb daar even aan moeten wen­nen. Een term als het Engelse long-term plan­ning vind ik ele­gant en overzichtelijk: je ziet mooi hoe de drie com­po­nen­ten zich tot elka­ar ver­houden. Deel één zegt iets over deel twee, en die zijn met een streep­je ver­bon­den. Samen zeggen ze weer iets over deel drie, en daar staat een spatie tussen.

Ook in het Ned­er­lands zou je “lange-ter­mi­jn plan­ning” kun­nen schri­jven, maar het is toch echt langeter­mi­jn­plan­ning – één woord. Het­zelfde geldt voor een­per­soons­bed, twee­t­ak­t­mo­tor en drie­gan­gendin­er. Dat zijn woor­den die vrij gang­baar zijn en door veel lez­ers prob­leem­loos veror­berd zullen wor­den. Maar geldt dat ook voor iets min­der vaak gelezen ter­men als kor­te­af­s­tandsvlucht, hogeres­o­lu­tiebeelden en rodewi­jn­glas?

Lees verder Wijn­glas

Hij deed het

Hoe het kan dat het me nog niet was opgevallen, weet ik niet. Er wordt immers genoeg geschreven over al die alleen­staande Ned­er­lan­ders die driftig op het inter­net pogin­gen wagen om een maat­je te vin­den voor hun bed, hun vri­je tijd, of zelfs hun lev­en. Online dat­ing is razend pop­u­lair.

Er zijn risico's...
Er zijn risico's...

Maar het werk­wo­ord dat daar­bij hoort, dat­en, ver­di­ent dezelfde lelijkhei­d­spri­js als bijvoor­beeld upload­en en deleten. Kijk maar.

Het begint in de eerste per­soon nog vrij onschuldig. Enkelvoud: Ik date geregeld online. (Spreek uit: “deet”.) Meer­voud: Wij dat­en anders nooit online. (Spreek uit: “deten”.) Dat ziet er nog nor­maal uit.

Lees verder Hij deed het

Appels en peren

Het Ned­er­lands heeft – meer dan bijvoor­beeld het Engels – de ambitie om een soort water­dicht, ges­loten sys­teem te zijn. Een taal­bol­w­erk waarin alles in con­se­quente regels is gevat en waarin, daar waar er toch uit­zon­derin­gen zijn, er ook weer regels voor die uit­zon­derin­gen zijn, en daar waar er daarop weer uit­zon­derin­gen zijn… Nou ja, je snapt het wel.

Dat lei­dt, met name waar het de spelling betre­ft, soms tot de meest won­der­lijke con­struc­ties. (Ik ver­mi­jd hier maar even het woord gedrocht…) En het lei­dt ook tot voort­durende vra­gen over hoe je een bepaald woord nou wel of niet hoort te schri­jven. Een van de hard­nekkig­ste (of op zijn minst: heetst bevocht­en) spelling­sonzek­er­he­den is die rond het woord­je dat de A in CDA brengt: appel. Of appèl, ja, daar draait het nou net om. Wat is goed?

Met of zonder accent?
Met of zon­der accent?

Lees verder Appels en peren

Reservebank

Oh jee oh jee, mor­gen is het weer eens zover: het Groot Dictee der Ned­er­landse Taal wordt gehouden. Ik vind het vrij won­der­lijk, maar veel mensen gaan er klakkeloos van uit dat, één, ik alti­jd mee­doe met het Dictee, en twee, ik dat leuk vind. Omdat ik van taal hou en zo. Wel­nu, het tegen­overgestelde is het geval: ik hou van taal en dus doe ik niet mee met het Dictee.

Het Groot Dictee
Het Groot Dictee

Natu­urlijk, ik zie de ver­maak­waarde er heus wel van in. Natu­urlijk, het is leuk als een schoolkind van 14 min­der fouten maakt dan de staatssec­re­taris van Belan­grijke Zak­en. Natu­urlijk, er zit een masochis­tisch soort genot in het voe­len van die kro­nkel in je hersens wan­neer je denkt: wat is dat nou weer voor bizar woord?

Lees verder Reserve­bank