Het-ze om niets

Afgelopen maand was het woord­je het ineens in het nieuws. Ons fijne, vertrouwde woord­je het. Je weet wel, van het gedicht, het pak­je, het paard en het cadeau. Het, zo werd er beweerd, stond op het punt uit te ster­ven.

Zegt de Rus zegt "Nee!" tegen drank én taalverandering?
Zegt de Rus zegt "Nee!" tegen drank én taalveran­der­ing?

Nou ja, dat ook weer niet hele­maal, maar er werd wel gesug­gereerd dat de opmars van de niet te stu­iten was en dat het steeds verder in de ver­drukking raakt. De bron was een leuk artikel in Onze Taal, maar de media hebben nu een­maal de neig­ing om een sen­sa­tion­al­is­tis­che draai aan de din­gen te geven.

Toch is dit ver­haal niet hele­maal onzin­nig – taal veran­dert wel degelijk, en vaak sneller dan we ver­moe­den. Wie zegt er nog, als de storm geluwd is, “Het woei heel hard gis­teren”? Of, als je het natu­urgeweld te eng vond om naar buiten te gaan, “Ik dorst zelfs de hond niet uit te lat­en”? Jonge Taalei­dolez­ers zullen werk­wo­ord­vor­men als woei en dorst miss­chien wel hele­maal niet meer ken­nen. Voor mij (veer­tiger) hebben ze een kod­dig-oud­er­wetse smaak. Voor mijn grootoud­ers waren ze de nor­maal­ste zaak van de wereld.

Taalveran­der­ing is alomte­gen­wo­ordig, niet te stu­iten, en is noch goed noch slecht. Taalveran­der­ing is gewoon, net zoals in de natu­ur het pro­ces van evo­lu­tie er gewoon is.

Wat het meest in het oog springt, is taalvernieuwing en -ver­rijk­ing. Zek­er in de afgelopen (ruim) halve eeuw is dat heel hard gegaan. Com­mu­ni­catie is de smeerolie van taalveran­der­ing. Hoe meer mensen over hoe meer onder­w­er­pen op hoe meer ver­schil­lende manieren ideeën met elka­ar uitwisse­len, hoe sneller een taal veran­dert. Het immens toegenomen gebruik van tele­foon, tele­visie, e-mail, mobielt­jes en inter­net heeft dit pro­ces in de afgelopen decen­nia vele ver­snelling hoger gezet. Vergelijk hoe wij nu met elka­ar com­mu­niceren met hoe dat was in 1940, en je ziet dat de regels van het spel ingri­jpend zijn veran­derd.

Bij taalveran­der­ing hoort ook het in onbruik rak­en van woor­den. Dat pro­ces is veel ongri­jp­baarder. Vaak verd­wi­j­nen woor­den uit het dagelijks taal­ge­bruik omdat hun beteke­nis irrel­e­vant wordt. (Mijn kinderen houden van muziek, maar hebben geen idee wat een cas­sette is; zij hebben een iPod.) Soms rak­en woor­den in de ver­getel­heid omdat ze langza­am wegk­wi­j­nen en hun plaats ingenomen wordt door een andere term, zoals bij gij en u.

En het dan? Mogen we bin­nen tien jaar – zoals ik op de radio hoorde – het woord­je het ten grave dra­gen? Vergeet het maar. Onze Taal sug­gereert dat het bin­nen een eeuw zou kun­nen gebeuren, maar ook dat geloof ik niet. Lid­wo­or­den en voorzetsels zijn weer­barstig, het zijn de een­cel­li­gen van de taal­biotoop. En we weten alle­maal hoe moeil­ijk het is om bac­ter­iën uit te roeien…

Wat vind jij?