Appels en peren

Het Ned­er­lands heeft – meer dan bijvoor­beeld het Engels – de ambitie om een soort water­dicht, ges­loten sys­teem te zijn. Een taal­bol­w­erk waarin alles in con­se­quente regels is gevat en waarin, daar waar er toch uit­zon­derin­gen zijn, er ook weer regels voor die uit­zon­derin­gen zijn, en daar waar er daarop weer uit­zon­derin­gen zijn… Nou ja, je snapt het wel.

Dat lei­dt, met name waar het de spelling betre­ft, soms tot de meest won­der­lijke con­struc­ties. (Ik ver­mi­jd hier maar even het woord gedrocht…) En het lei­dt ook tot voort­durende vra­gen over hoe je een bepaald woord nou wel of niet hoort te schri­jven. Een van de hard­nekkig­ste (of op zijn minst: heetst bevocht­en) spelling­sonzek­er­he­den is die rond het woord­je dat de A in CDA brengt: appel. Of appèl, ja, daar draait het nou net om. Wat is goed?

Met of zonder accent?
Met of zon­der accent?

Verder lezen Appels en peren

Smakelijk eten

Het menselijk brein is een won­der­lijk ding. En de manier waarop wij taal ervaren al even­zeer…

Miss­chien was het dat ik van kleins af aan al Spaans gespro­ken heb, en mijn brein dus tot op zek­er hoogte “voorge­pro­gram­meerd” is. Miss­chien was het dat ik net de dag ervoor een Spaanse film gezien had. Miss­chien was het dat ik, na een peri­ode van ziek­te en lus­teloosheid, de smaak van het koken weer te pakken had. Hoe dan ook, toen ik in een flits rechts­boven op de kran­ten­pag­i­na dat woord zag staan, had ik er meteen zin in: ram­pe­cho.

Ik zag mezelf al hele­maal zit­ten, in een tapas­bar of zo. Glaas­je Iberische wijn erbij, en luchtig tegen de ober: “Doet u mij maar wat albóndi­gas, een beet­je gaz­pa­cho, een paar sneet­jes jamón ser­ra­no, en een por­tie ram­pe­cho.” Wat dat laat­ste was, daar had ik geen flauw idee van, maar het zou vast en zek­er lekker zijn.

Gazpacho met rampecho?
Gaz­pa­cho met pam­pe­cho?

Verder lezen Smake­lijk eten

Sukkel

Het was een week­je gele­den, op tv. Ik zag de door ons allen zo innig beminde bek­end­ste Vlaamse Bek­ende Ned­er­lan­der, Goedele Liekens. Geïn­ter­viewd door ik weet niet wie over ik weet niet wat. Ze sprak (natu­urlijk) over seks, relaties, man­nen en vrouwen.

En ineens was daar dat woord: onnoze­laar. Ik herin­ner me oprecht niet meer wie er een­t­je was (een man, geloof ik), of waar, of onder wat voor omstandighe­den. Maar dat doet er ook niet toe. Dat ene woord­je, dat maakt alles goed. Onnoze­laar.

Goedele is geen onnozelaar
Goedele is geen onnoze­laar

Als Hol­landse onbek­ende Ned­er­lan­der zou je eerder "sukkel" zeggen, of "idioot". Maar bij een sukkel of een idioot denk je al snel: na-na-nana-na... het is zijn eigen schuld. Ter­wi­jl onnoze­laar iets onschuldigs heeft; je vergeeft het hem graag dat hij onnozel is. En dat klopt ook wel met de ety­molo­gie van het woord.

Vol­gens de illus­tere Van Dale stamt onnozel uit de der­tiende eeuw en is het een com­bi­natie van het ontken­nende on- en het Mid­delned­er­landse woord nosen, wat "schade toe­bren­gen" betekent. Iemand die onnozel is is dus onschadelijk, onschuldig.

Het woor­den­boek zegt dat onnozel­ing ook nog bestaat, maar doe mij maar het woord van Goedele. Of zeg ik daar Onschuldige Ned­er­lan­der iets heel nozels mee...?