Dagelijks vs. alledaags

In de woorden dagelijks en alledaags herken je meteen het stamwoord dag terug. In letterlijke zin kom je iets wat “dagelijks” is dag na dag tegen. En iets was alledaags is, is van “alle dagen”. Toch zijn er wel degelijk verschillen in betekenis en gebruik.

Waar hebben we het over?

Er zijn veel woorden die een periode, cyclus of frequentie van tijd aangeven. Deze twee termen gaan over dezelfde eenheid van tijd (de dag) en zitten qua betekenis heel dicht bij elkaar.

Betekenis en gebruik

  • Dagelijks is een bijvoeglijk naamwoord en betekent: voor elke dag, iedere dag terugkerend, gewoon.
  • Alledaags is een bijvoeglijk naamwoord en betekent: iedere dag terugkerend, gewoon, banaal.

Daarnaast is dagelijks óók een bijwoord. Ook hier is de betekenis: op elke dag, iedere dag weer.

(Opfrissertje: een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord; een bijwoord zegt iets over een werkwoord.)

Voorbeelden

  • Een gezond ontbijt is een goede dagelijkse gewoonte.
  • Ik heb vandaag niks bijzonders gedaan, gewoon de dagelijkse beslommeringen.
  • Hij belt dagelijks met zijn ouders.
  • Opa is nog steeds gezond, afgezien van wat alledaagse kwaaltjes.
  • Het restaurant zag er best chic uit, maar het eten was een beetje alledaags.

Even opletten

Je kunt dagelijks en alledaags voor een deel als synoniemen zien, maar toch zijn er wel degelijk verschillen. Zo is dagelijks een woord dat veel mensen eerder zullen kiezen dan alledaags. En de (kritische) betekenis van alledaags in de zin van “banaal”/“ordinair” ontbreekt bij dagelijks, dat een meer neutrale term is.

Weetje

De uitgang -lijks zie je ook terug in andere aanduidingen van tijd die met een terugkerende periode te maken hebben. Denk aan wekelijks (week na week), maandelijks (maand na maand) en jaarlijks (jaar na jaar).

In vergelijking daarmee is alledaags een buitenbeetje: de woorden “alleweeks”, “allemaands” en “allejaars” bestaan niet.

Wat vind jij?