Appels en peren

Het Nederlands heeft – meer dan bijvoorbeeld het Engels – de ambitie om een soort waterdicht, gesloten systeem te zijn. Een taalbolwerk waarin alles in consequente regels is gevat en waarin, daar waar er toch uitzonderingen zijn, er ook weer regels voor die uitzonderingen zijn, en daar waar er daarop weer uitzonderingen zijn… Nou ja, je snapt het wel.

Dat leidt, met name waar het de spelling betreft, soms tot de meest wonderlijke constructies. (Ik vermijd hier maar even het woord gedrocht…) En het leidt ook tot voortdurende vragen over hoe je een bepaald woord nou wel of niet hoort te schrijven. Een van de hardnekkigste (of op zijn minst: heetst bevochten) spellingsonzekerheden is die rond het woordje dat de A in CDA brengt: appel. Of appèl, ja, daar draait het nou net om. Wat is goed?

Met of zonder accent?
Met of zonder accent?

Appel/appèl komt van het Franse appel, dat weer verwant is aan appeler, dat oproepen betekent. Het origineel heeft dus geen accent, maar het is al heel lang gebruikelijk om in het Nederlands wél een accent te schrijven, om het onderscheid met appel (vrucht) te onderstrepen. (Oh nee, pardon: te accentueren. Letterlijk.)

In 1995 besloot de Nederlandse Taalunie – ik weersta hier opnieuw het woord gedrocht – dat het uit moest zijn met dat accentgedoe en dat appel de enige officiële goedgekeurde spelling was. Het Groene Boekje en Van Dale volgden. Maar de Witte Spelling gooide vervolgens roet in het groene eten door te zeggen dat zowel de schrijfwijze met als zonder accent oké waren.

Eind van het liedje: je hebt het min of meer voor het kiezen. Maar wat ik nog het mooiste vind, is deze hele storm van verontwaardiging en onduidelijkheid alleen heeft gewoed over de appel/appèl-vraag. Terwijl de woorden kartel (randje) en kartel (olie) al jaren en jaren dezelfde spelling hebben, met hetzelfde verschil in uitspraak als het appelappèl, en dat niemand zich daar ooit over heeft opgewonden… Mensen zijn rare wezens.

Wat vind jij?